Nooit mijmeren, nooit stilstaan

Spijt is een Nederlands woord dat Zdzislaw Supierz (35) niet kent, niet wìl kennen. Hij heeft de blik op de toekomst gericht en zal nooit omzien....

CORNALD MAAS

Er zijn geen lessenaars in Sneek! Onprettige bijkomstigheid van een optreden in Theater Amicitia. 'Raar? Helemaal niet raar. Een impresario krijgt alles op zich af.'

Sinds Zdzislaw Supierz (35) Oosteuropese opera-, ballet en kamermuziekgezelschappen naar Nederland haalt weet hij van de hoed en de rand. Hij kent de verhalen, hij kent de klachten. Mogelijke bezwaren formuleert hij het liefst zelf. 'De Kameropera van Warschau? Wie zegt u? Zo'n ouderwets gezelschap dat zo goedkoop is dat het overal wordt geaccepteerd?' Hij zwijgt even. 'Meneer, u heeft het wel over een gezelschapje van 360 man met een internationale reputatie. Dat speelt niet alleen in huizen waar het geld van doorslaggevende betekenis is.'

De impresario ziet zich tegenwoordig geconfronteerd met de wetten van de vrije markt. 'Sinds het IJzeren Gordijn verdwenen is wordt geen cent subsidie meer verstrekt. Vroeger streelde het de trots als je je als Oosteuropees operagezelschap in het Westen kon presenteren. Maar het gevoel van eigenwaarde is gegroeid. Je betaalt nu voor de voorstellingen die ze dáár, op hetzelfde moment, niet kunnen spelen.'

Supierz - van Supierz Artist Management - is de belangrijkste pleitbezorger van Oosteuropese voorstellingen in de Nederlandse theaters. Zingende Polen, Russen en Bulgaren in Venray, Almelo en Tiel. Veel klassiek repertoire: Die Zauberflöte, Het Zwanenmeer, Der Bettelstudent. 'Ik oubollig? Ik zal jullie nog eens wat laten zien'

Een eigenzinnige uitvoering van Die Fledermaus - door het gezelschap Poznan - maakte in Alkmaar de tongen los. Hoe de impresario het in zijn hoofd had gehaald om punks op het podium te tolereren. 'Mensen hebben geen idee. Strauss pakte het leven van de straat en bracht dat op het toneel. Hij lachte Wenen uit. Het was hem te smerig en decadent. Zijn Fledermaus bracht indertijd een schok teweeg.'

In 1981 kwam Supierz naar Nederland om aan het Sweelinck Conservatorium dwarsfluit te studeren. Hij zou uiteindelijk weer teruggaan naar zijn geboorteland Polen, maar besloot, nadat hij was afgestudeerd, te blijven. Hij organiseerde, incidenteel, optredens voor bevriende Poolse musici en rolde zo ongemerkt het vak in. Solistje hier, strijkkwartetje daar, 'fijn om landgenoten over de vloer te hebben'.

In 1989 begon hij zijn eigen impresariaat. 'Zo ben ik steeds betrokken bij het succes van mensen die op hoog niveau functioneren.'

Als fluitist vindt hij zichzelf niet goed genoeg. Had hij dat besef al tijdens zijn studiejaren? 'Een artiest màg geen besef hebben. Het spijt me.' Maar hij is toch een zakenman? 'Nee. Eerder een artiest. Soms ben ik te chaotisch, of te bot. Dan vinden theaterdirecteuren me lastig. Als mijn geduld op raakt omdat ik weer eens alle toeters en bellen moet regelen denk ik: zij mogen blij zijn dat ik langskom. En niet, zoals het hoort: ik moet dankbaar zijn dat ik zulke mooie theaters tot mijn beschikking heb.'

Zijn medewerkers onderbreken zijn betoog geregeld. Supierz spreekt zacht maar duldt geen tegenspraak. 'Ik heb een solistische manier van optreden.' Als het hem te lang duurt grijpt hij in. Vraagt een medewerker wat hij moet doen nu de kapster haar voet heeft verstuikt, zegt hij: 'Vooral zelf nadenken. Niet vragen maar actie ondernemen. Een beetje tempo. Tempo'

Hij is onrustig. Zijn vingers trommelen op tafel, de uitdrukking op zijn gezicht verraadt dat hij het telefoongesprek dat hij voert wil afronden. 'Zavtra, zavtra, in Rusland is het altijd morgen, komt wel, later kan ook. Ik houd niet van dat Spaanse mañana.'

Supierz stelt niets uit. Hij heeft het razend druk. Op dit moment begeleidt hij voorstellingen van de Opera van Krakau, het Muziektheater van Bohemen (Die Czardasfürstin, première afgelopen dinsdag) en de Opera van Warschau (Die Zauberflöte, première 18 november). Hij is vierentwintig uur per dag stand-by. 'Een dirigent zal toch ook alle concerten doen die hij aangeboden krijgt?' Half vijf die ochtend was hij erbij toen bij theater Carré vrachtwagens van de Opera van Krakau werden gelost. Een privé-leven heeft hij niet, zijn relatie offerde hij op. 'Ik ben een slechte manager van mezelf.'

Hij mompelt iets over transportkosten, belastingen, zakelijke transacties. 'Of ik van opera houd? Waarom stelt u zo'n rare vraag? Een mens zou zich niet mogen bezighouden met kunst als hij er geen affiniteit mee heeft.'

De impresario schuift met brochures en zingt zijn lofzang op de opera Polska. In Polen gloriëren liefst elf operagezelschappen. Supierz roemt hun rijke geschiedenis en schampert, en passant, over een Nederlands boek uit 1890 dat fatsoenlijke meisjes verbood operavoorstellingen bij te wonen. 'Probeer hier maar eens op zondag een voorstelling te verkopen. Het lukt je nooit. In de opera woont zeker de duivel.'

Zichtbaar trots laat hij foto's zien van de Nationale Opera in Warschau. 'Wel eens van Stanislaw Moniuszko gehoord? Hij is de Schubert van Polen. Schreef meer dan achthonderd liederen. Ze horen bij de cultuur van het land. Ze worden gezongen door het vòlk - niet alleen door de aristocratie.'

Nadat hij zijn geboorteland verlaten had kwam hij er in 1989, voor het eerst in acht jaar, terug. Hij reisde mee met Brüggens' Orkest van de Achttiende Eeuw en stuitte op uitzinnige reacties. 'Bij de Hohe Messe van Bach roep je geen bis! Maar de zaal stond keer op keer op z'n kop.'

Die ervaring staat hem nog helder voor de geest. 'Ik heb alleen positieve herinneringen aan Polen. De negatieve kanten wilde ik nooit zien.'

In Nederland voelde hij zich eenzaam. Hij hunkerde naar Poolse kranten, verlangde naar de heuvels en bossen van zijn geboortestreek. 'Al kon ik die stomme Poolse hemel maar een paar uur zien.' Supierz miste zijn vrienden, zijn boeken, zijn taal. 'De finesses van het Nederlands ontgaan me. Ik ben altijd op zoek naar poëzie.'

Als student trad hij op als tolk toen een groep Poolse kinderen in het kader van een uitwisselingsprogramma Nederland bezocht. 'Ze brachten mijn jeugd met zich mee. Ongelooflijk. De tranen die in mijn ogen stonden heb ik verborgen.'

In het eerste jaar van zijn studie speelde hij, geen rooie cent op zak, dwarsfluit op straat. 'Mijn vader en moeder heb ik het niet verteld. Ze zouden nooit begrepen hebben waarom ik niet meteen een trein naar Polen had teruggenomen.'

Zijn ouders, arbeiders in een van de vele staatsbedrijven, waren mensen van weinig woorden. Op zijn veertiende vertrok Supierz naar een internaat in de stad. Nu herinnert hij zich met weemoed het rustige alledaagse leven van zijn geboortedorp in Zuid-Polen. 'Dat is nog steeds mijn thuis.'

Hij is, terwijl telefoons op afstand blijven rinkelen, voor even stil en geroerd. Zijn vader, die twee jaar geleden overleed, zag hij sinds zijn vertrek in 1981 naar Nederland maar een keer of drie. 'Ik voel me daar schuldig over. Achteraf zie ik in dat mijn vader bang was mij voorgoed te verliezen. Niet dat hij dat met zoveel woorden zei: hij is altijd een gesloten man geweest.'

Het succes van zijn impresariaat maakte zijn vader niet meer mee. 'Ik denk dat hij gelukkiger zou zijn geweest als ik dwarsfluitist was geworden. Want als je op een conservatorium werkt of aangesloten bent bij een gezelschap heb je zekerheden. Een fluitist is een ambtenaar. Een impresario is gedwongen risico's te nemen. Wie weet ben ik over een jaar totaal geflopt.'

Hij wrijft met zijn handen in het gezicht. 'Ik zou mijn vader toch graag eens hebben verteld wat voor een fantastische belevenis het theater is.'

Zo is het welletjes. Zdzislaw Supierz wil vooral niet teveel mijmeren en stilstaan. Nooit overwoog hij, voor wie of wat dan ook, terug te keren naar Polen. Nooit meer zal hij een carrière als fluitist ambiëren. Nooit wil hij jaloers zijn. Nooit herroept hij beslissingen. Spijt is een Nederlands woord dat hij niet kent. 'Ook als ik weet dat ik op een produktie zal verliezen trek ik me niet terug. Het is mijn woord aan de Nederlandse theaterdirecteuren en aan het Nederlandse publiek geweest.' Hij wil het ook algemener zeggen: 'Na de A komt voor mij altijd de B. Ik kan er niet tegen als ik gezichtsverlies lijd. Ik moet vechten en doorbijten en desnoods met mezelf in conflict raken als ik fouten maak. Als het mis gaat mag niemand dat weten. Dat is mijn trots.'

Zijn zoontje van tweeëneenhalf ziet hij nauwelijks. Die ondervindt al aan den lijve hoe het is als vaders niet van ophouden weten. Zdzislaw Supierz zegt dat zijn zoon alleen de uiterlijke kant van zijn bestaan kent: papa moet naar het theater, en hij neemt altijd zijn auto mee, en zijn autotelefoon. Want dan loopt het leven van een artiest pas echt op rolletjes.

Meer over