Nooit meer gedwongen de ondergrondse in DE VERTELSTER IN 'NAGELATEN DAGEN' VERSCHILT WEINIG VAN MARGA MINCO

HUIZEN DIE om de zoveel jaar worden leeggehaald, verwanten die ooit zijn gedeporteerd en herinnering geworden, overlevenden die blijven staren in de afgrond van het verleden....

De tijd legt een sluier over toen, maar de as blijft smeulen. Overleven is het wankele besef verder te moeten leven in blessuretijd. Herinneringen en oude voorwerpen rukken de voorhang telkens weer weg, met als tergende resultante dat er nooit iets ten volle kan worden opgelost en afgesloten. Hooguit laten de verwarrende emoties zich door een gedrongen vertelvorm omkaderen. We kunnen het verleden nooit geheel en al doorgronden - ook al doordat we zelf een ander zijn geworden.

De titel van de korte roman Nagelaten dagen zinspeelt reeds op het appendix-karakter bij een leven en oeuvre, alsook op de uiteindelijke oninlosbaarheid van wat de hoofdpersoon voorstaat. Die ik-figuur is een kleine joodse schrijfster die woont in Amsterdam en haar vroegste jaren doorbracht in Breda. Ooit heeft ze een verhaal geschreven over de trouwdag van haar zus Bettie, die op haar 23ste is omgekomen in Auschwitz. Ook hun ouders zijn in de oorlog voorgoed verdwenen. Allemaal tekenen die laten vermoeden dat de vertelster weinig verschilt van Marga Minco zelf.

Tot in de details buitelen heden en verleden door elkaar. Ook de natuurobservaties zaaien telkens twijfel aan de mogelijkheid van een eenduidige registratie: 'Een kleine, kwikzilverachtige vogel flitste over onze hoofden, was plotseling tussen de struiken verdwenen en liet mij in het ongewisse of het wel een vogel was die ik gezien had. Of was het een vlinder?' Merk op dat de formulering allerminst scherp is.

Als de ik-figuur achterin haar auto een aquarel heeft gelegd waarop haar zuster staat afgebeeld, besluit ze even langs het ouderlijk huis te rijden: 'Maar ik vergiste me in de straten doordat er eenrichtingsverkeer was gekomen. Ik had niet gerekend op de vernieuwing en uitbreiding van de plaats waar we onze jeugd hebben doorgebracht. Ik kende er de weg niet meer. De vertrouwde buurt was onvindbaar geworden.'

Zo wordt het steeds onbegrijpelijker dat Marga Minco altijd lof krijgt toegezwaaid omdat er in haar werk geen woord te veel staat. Er staan juist een heleboel woorden te veel, waardoor de symboliek opgelegd wordt. Er kan geen vogel langsvliegen en geen afslag worden genomen, of we krijgen met een omhaaltje van slappe bewoordingen ingepeperd dat alle tekst aan Het Thema raakt. Loopt de hoofdpersoon over het trottoir van New York, dan wordt ze bevangen door de angstige gedachte meegesleurd te worden in de mensenstroom die straf koers zet richting ondergrondse. Ze glipt ertussenuit. 'Ik steek over en loop alleen verder over de brede stoep van de 5th Avenue.' Zij wil nooit meer gedwongen de ondergrondse in. In obligate zinnetjes, verstoken van subtiliteit, wordt de diepere betekenis ons door de strot geduwd.

Het schrijnende gebrek aan stilistisch raffinement maakt de literaire kwaliteit dubieus. Temeer daar Minco niet terugschrikt voor foeilelijke constructies ('informaties uitwisselen'; 'Ook tijdens de rit van Carpinteria naar Santa Barbara hadden we slechts de gebruikelijke informatie uitgewisseld die men gewoonlijk verstrekt na een langdurige reis'), regelrechte fouten ('Pas als ik het perron opren, waar de trein op het punt van vertrek staat, heb ik haar het album nog net door het coupé-raampje kunnen aanreiken'), een bommentapijt van overbodige vragen ('Had ze al die jaren haar nieuwsgierigheid weten te bedwingen, was ze bang voor wat ze erin zou aantreffen of wilde ze niet aan haar verleden herinnerd worden?') en diverse onaannemelijkheden.

Pas nu komt de vertelster erachter dat de man van Bettie een zus had. Die woont tegenwoordig in Californië. Van daaruit geeft deze Eva Ruppin de opdracht in Amsterdam te kijken of er nog spullen bewaard zijn van haar verdwenen familie. Ze beschrijft een aantal voorwerpen: perzen, antiek porselein, zilveren voorwerpen.

De ik-figuur gaat naar de buren van destijds. Nog juist op tijd, want het huis staat op het punt te worden leegehaald (het houdt nooit op). Attie Stelerius, de dochter van het echtpaar dat in de oorlog de spullen van de opgepakte buren in bewaring had genomen, heeft zelf weer in een jappenkamp gezeten: 'Toen ik uit Indië kwam, had ik niets meer. Ik was alles kwijt.' (Het is overal hetzelfde.) Attie vraagt naar welke dingen de bezoekster op zoek is. En wat zegt die? 'Ik heb geen idee. Ik ben maar één keer hiernaast geweest, lang geleden. . .' Wat zullen we nou beleven. Ze heeft die brief van Eva toch?!

Net zo dwaas is de hernieuwde ontmoeting met Attie. Maanden later gebeurt dat, op het parkeerterrein van een winkelcentrum. Attie draagt een winterjas 'met hoogopgeslagen bontkraag waarachter haar gezicht gedeeltelijk schuilging. Het leek of ze een metamorfose had ondergaan', schrijft Minco, waarna de herkenning van die vrouw die de ik maanden ervoor slechts één keer heeft gezien, zeer eigenaardig aandoet. 'Haar glimlach was nog dezelfde.' Een reepje glimlach achter een bontkraag die de doorslag zou geven?

Attie heeft een Japanse kom gevonden, die toebehoorde aan de Ruppins. Met die kom reist de vertelster af naar Californië. Daar is ze in de tussenliggende tijd al een keer eerder geweest. Eva Ruppin had in haar familiearchief een album aangetroffen met tekeningen en teksten, dat de ik in de oorlog voor de trouwdag van haar zuster Bettie heeft gemaakt. In het verhaal over haar zus heeft de schrijfster daar geen gewag van gemaakt, omdat het album uit haar geheugen was verdwenen.

Zo raar kan het lopen met onze memorie. Dingen verdwijnen eruit en doemen dan plotsklaps weer op, met alle ontwrichtende emoties vandien. En ondertussen verstrijkt de tijd, worden we ouder, in de valse veronderstelling dat sommige pijnlijkheden zijn bedwongen door ze te hebben vastgelegd in taal.

Bij het tweede bezoek is Eva een verzwakte en verwarde patiënte geworden. Ze zal niet meer naar haar eigen woning terugkeren. Die is dan ook inmiddels leeggehaald. De Japanse kom komt te laat.

We hebben het gesnopen hoor, mevrouw Minco. We kunnen er helaas onmogelijk naast kijken.

Arjan Peters

Marga Minco: Nagelaten dagen.

Bert Bakker; 120 pagina's; ¿ 29,90.

ISBN 90 351 1911 8.

Meer over