Nóoit meer een grote club: Burnley koestert vergane glorie

'Zonder een miljonair in het bestuur is het onmogelijk de top te halen. Burnley kan de lonen van de topspelers niet betalen.' In de derde divisie speelt de kampioen van 1960 een bescheiden rol, maar in Lancashire is de passie voor voetbal gebleven....

PAUL ONKENHOUT

Norman Blackburn is al zestig jaar supporter van Burnley Football Club. Hij is op deze kille zaterdagochtend vanuit Bury naar Turf Moor gekomen om zijn kaart voor volgend seizoen op te halen. Voor een plaatsbewijs op de nieuwe, prachtige noordtribune betaalt hij honderdtwintig pond.

Het is druk, vandaag bij het stadion van Burnley, nog drukker dan gisteren toen de verkoop van start ging. Vaders kopen in de clubwinkel shirtjes voor hun zoontjes. Anderen praten over de reis die manager Adrian Heath naar Spanje heeft gemaakt.

Er wordt gezegd dat Burnley volgend seizoen zal worden versterkt met buitenlandse spelers. Het plan heeft ieders instemming: nog zo'n seizoen, dat nooit. Burnley eindigde in de verkeerde helft van de middenmoot.

Op een gedetailleerde plattegrond van het stadion wijst Blackburn gretig zijn plaats aan. Hij komt vlak bij een uitgang te zitten, in het midden van de tribune. Het is een mooie plaats, met veel beenruimte.

Vroeger was er niet eens een tribune op die plaats, alleen een heuvel. Je had het moeten zien hier, duizenden mensen stonden en zaten op die heuvel als Burnley een thuiswedstrijd speelde. 'Er waren hier soms 54 duizend mensen.' Burnley heeft 75 duizend inwoners. HÄÄl Lancashire liep uit voor The Clarets.

In 1940, een jongen was Blackburn nog, betrad hij Turf Moor voor het eerst. Hij zat in dezelfde klas als de zoon van de manager en kreeg gratis kaartjes. 'Ik ben hier gekomen en nooit meer weggegaan.'

Nou ja, in de oorlog dan. Blackburn maakte deel uit van de Engelse troepenmacht in Birma en later in India. Het grappige is dat hij daar Harry Potts voor de eerste maal heeft zien spelen, in een touring-team. Later werd Potts speler van Burnley en nog later was hij zeer succesvol als manager.

Blackburn heeft Burnley in 1947 en 1962 op Wembley zien spelen (en verliezen) in de Cupfinal en hij was er bij toen in de Europa Cup voor landskampioenen tegen Stade de Reims en Hamburger SV werd gespeeld. Het was sportieve glorie in zijn mooiste vorm. Alle clubs kwamen met vrees naar Turf Moor.

De kampioenswedstrijd tegen Manchester City op Maine Road in 1960! Wolverhampton Wanderers was al uitgespeeld en stond eerste, met een punt voorsprong. Ruim veertigduizend supporters schreeuwden op die maandag hun club naar de landstitel, de tweede in de geschiedenis. Burnley FC won met 2-1. Jimmy McIlroy! 'Hij was de beste van allemaal. Zelfs de tegenstanders genoten van hem.'

Blackburn maakte ook het verval mee, nederlaag na nederlaag, de dreiging van een faillissement, de degradaties. Turf Moor was, hoewel het stadion voortdurend werd gerenoveerd, een plek des onheils, voor velen. Maar de nu 74-jarige Norman Blackburn bleef The Clarets trouw en kocht ieder jaar opnieuw zijn seizoenkaart. You stick to one club. Daarom.

'Hoe kan iemand die de successen uit de jaren vijftig en zestig heeft meegemaakt, mensen die Burnley op een heel hoog niveau hebben zien spelen, kijken naar een club die zo is afgezakt? De oudere fans hebben hun normen kennelijk aangepast. Burnley speelt nu in de vroegere derde divisie. Dat was toen al armoe en dat is het nu nog steeds.'

Jimmy McIlroy was zeventien jaar toen hij in maart 1950 door scouts van Burnley werd ontdekt in Belfast, Noord-Ierland. De club betaalde achtduizend pond voor hem, een kolossaal bedrag voor zo'n jonge speler. En zo denkt hij er 46 jaar later zelf nog over.

In 1950 debuteerde hij, op de plaats van Harry Potts, die naar Everton vertrok. Dertien seizoenen lang droeg hij het blauw en paarsrood (claret) van Burnley FC.

'Burnley was na de oorlog een van de meest vooruitstrevende clubs. Jonge spelers werden gecontracteerd, onmiddellijk nadat ze hun scholen hadden verlaten. Het werd de club die zijn eigen spelers produceerde. Gekocht werd er nauwelijks. Burnley stond langer in de hoogste afdeling dan welk small town-team ook. De club overleefde door de eigen produkten te verkopen.

'De piek werd bereikt in 1960 en 1961. Met Tottenham Hotspur was Burnley de beste ploeg van Engeland. We hadden negen internationals, Schotten, Engelsen, Ieren en Welshmen. It was a marvelous period for a little town.'

Het was, zegt Brian Miller, a once in a lifetime-team. 'Alan Brown had de jeugd opgeleid, zeven spelers van de elf. En er waren de ouderen: Jimmy Adamson, Jimmy McIlroy en Tommy Cummings. Harry Potts was een goede manager, maar de spelers zorgden voor de successen. We speelden leuk en goed voetbal en we scoorden veel. Dat maakte het zo aangenaam. Verdedigen, daar voelden we niet veel voor.

'Potts was een heer. Voor hem gingen we door een muur bakstenen. Hij was een goede, eerlijke man en hij dwong respect af. Hij vormde het team, we all played for him. Hij hêd het. Hij maakte het ook niet ingewikkeld. Doe je best, doe wat je kunt, speel naar je mogelijkheden, zei hij altijd. En dat probeerden we.'

In januari van dit jaar overleed Potts. Farewell to a great, kopte de Burnley Express. Weer een band met het verleden doorgesneden.

Miller was de enige speler in de kampioensploeg van 1960 die in Burnley werd geboren. Hij is Burnley FC: Miller speelde 455 wedstrijden voor de club (en een voor Engeland, tegen Oostenrijk) en was twee maal manager.

Nu bekijkt hij de tegenstanders van het eerste elftal, als chief-scout. Onder zijn leiding speelde zoon David in het eerste elftal, en schoonzoon Derek Scott ook.

'Ik was negen jaar toen ik Burnley voor de eerste maal zag spelen. Ik heb de club lief, het is mijn club. Het is een mooie, ongewone club. Gezien het aantal mensen in de streek hebben we een heel hoog toeschouwersgemiddelde. De liefde zit diep hier.

'Burnley is maar klein. Wie hier opgroeit, groeit samen op met de club, en leert van de club te houden. De band met de stad is hecht. Vaders nemen hun kinderen mee naar het stadion. Iedereen in Burnley heeft iets met Burnley FC. Er is echter altijd die ene gedachte, die ene vraag: wanneer zal het weer eens beter gaan?'

McIlroy: 'Nooit.'

Miller: 'McIlroy was de beste, de beste die ik hier in veertig jaar heb gezien. Hij was zeer technisch, bereidde de aanvallen voor en creeerde heel, heel veel doelpunten van Jimmy Robson en Ray Pointer.'

In 1960 bedroeg het weeksalaris van McIlroy twintig pond, het maximumloon voor voetbalprofessionals in Engeland. Burnley had er baat bij dat de hoogte van de lonen reglementair was vastgelegd. Voor de topspelers bestond er geen aanleiding de club te verlaten.

McIlroy: 'Als er wat werd gewonnen, kregen we twee pond bonus. Het was een goed salaris hoor. Voetballers kregen drie maal zo veel als fabrieksarbeiders of bouwvakkers. Je kon er goed van leven. We waren tevreden.

'Het geld speelde nog geen dominante rol. De commercie had het voetbal nog niet ontdekt. Ik herinner me uit die tijd maar een voetballer die een reclamecontract had, Johnny Haynes van Fulham en Engeland. Hij prees Brylcream aan.

'Bij Preston speelde Tommy Finney, mijn idool. Hij was de veelzijdigste speler die ik ooit heb gezien. Als Tommy vandaag zou spelen, zou hij 20 duizend pond per week verdienen. Hij had een loodgietersbedrijf. Zelfs op zaterdagochtend werkte hij nog. En dan ging hij 's middags voetballen.

'Het klinkt opschepperig, maar door de jaren heen heb ik altijd veel aanbiedingen gekregen, van Arsenal, Tottenham Hotspur en Manchester United onder meer. Ik herinner me een wedstrijd tegen Arsenal, in Londen. Op de avond voor de wedstrijd bezochten we een theatervoorstelling.

'Op weg naar het stadion zagen we een paar sterren van de show. Ik zag veldmaarschalk Montgomery op de tribune zitten, de oorlogsheld, en Richard Attenborough, de beroemde acteur. Er waren politici in het stadion, de premier zelfs. En ik weet nog dat ik dacht: ik zou iedere week voor deze mensen willen spelen. Maar dan moeten ze het stadion wel naar Burnley verplaatsen.

'Voor Noord-Ierland heb ik veel samengespeeld met Danny Blanch-flower, de aanvoerder van Tottenham Hotspur. Ik herinner me een vochtige, koude en donkere novemberdag op Turf Moor. Voor de wedstrijd stonden Blanchflower en ik wat te praten. We zagen de mensen komen, sjofel gekleed, met hun petten, wanten en dassen.

'Danny keek om zich heen en zei: how can you live in a place like this? Maar al vanaf het moment dat ik hier voor de eerste keer kwam, wilde ik nooit meer weg. Ik weet nog steeds niet waarom. En het verbazingwekkende is dat heel veel oud-spelers zijn teruggekeerd naar Burnley, uit alle delen van Engeland.'

McIlroy geeft hoog op van de natuur in oost-Lancashire, met de moerassen, de moors, de heuvels, de uitgestrekte weilanden en de oude katoenmolens. En van de golfbaan; de gepensioneerde Noord-Ier is een goede en zeer gepassioneerde golfer.

Soms komt hij nog wel eens op Turf Moor. Niet iedereen begrijpt dat; in 1963 plaatste de controversiele voorzitter Bob Lord hem op de transferlijst, zomaar, zonder waarschuwing. McIlroy vertrok naar Stoke City. Veel mensen in Burnley weten nog precies waar ze waren en wat ze deden op het moment dat ze hoorden dat Mac zijn conge kreeg.

McIlroy is niet haatdragend. 'Nadat ik vertrokken was, daalde het toeschouwersgemiddelde met zevenduizend. Dat was veel, van 27- naar 20 duizend. Tot op de dag van vandaag kom ik mensen tegen die me vertellen dat ze na mijn vertrek nooit meer ÄÄn voet op Turf Moor hebben gezet. Nou, zeg ik dan maar, ik wel hoor.'

Ray Simpson is de clubarchivaris en -historicus van Burnley FC. Vraag hem de opstelling van Burnley in het seizoen 1912-1913 en hij dreunt elf namen op. Hij schreef een boek over zijn club, heeft een tweede in voorbereiding, en beleefde een gruwelijke nachtmerrie in 1987.

Hij noemt het: 'Negentig minuten verwijderd van de wildernis.'

In 1987 stond Burnley met een voet in de non-league, als laatste ploeg in de vierde divisie. De laatste competitiewedstrijd van dat seizoen is de geschiedenis ingegaan als de Orient Game.

'Als we toen van Leyton Orient hadden verloren en uit de League waren gevallen, zou de club zijn gestorven. Zonder twijfel. Burnley had honderdduizenden pond schuld, er waren geen goede spelers en naar de thuiswedstrijden kwamen nog maar tweeduizend mensen kijken.

'Op die dag kwamen de mensen nog eenmaal te voorschijn, om nog ÄÄn keer te schreeuwen voor de club. Het zou de laatste keer zijn, wist iedereen. We speelden zo slecht, het zou gebeuren. We gingen met zeventienduizend mannen en vrouwen naar een begrafenis. Uit het hele land kwamen journalisten en de wedstrijd was rechtstreeks op de radio. Want een van de oprichters van de League, een oud-kampioen, stond op het punt te overlijden.

'We wonnen. We bleven leven. Ik stond op de tribune en het is nog steeds moeilijk mijn emoties van die dag te beschrijven. Het was ondraaglijk om naar de wedstrijd te kijken. Ondraaglijk. Want we overleven het niet, dachten we. En toen we dat wel deden, was er een overweldigend gevoel van opluchting. We gingen het veld op, kusten het gras en dansten in extase, wij allemaal.

'In Burnley waren alle pubs overvol. Iedereen schreeuwde en danste en was blij. Prachtig. Toen het eenmaal achter de rug was, was het prachtig.'

Brian Miller was manager in 1987. 'Achteraf bezien was die wedstrijd een keerpunt in de geschiedenis. Slechter kon het niet. Het vooruitzicht dat Burnley uit de League zou wegvallen, wakkerde de belangstelling voor de club weer aan. Achteraf heeft die wedstrijd ons goed gedaan. Ook in de stad zelf kwam de club weer tot leven. De liefde bloeide op.'

Simpson: 'Ik was tien en zag op Turf Moor het beste elftal van Engeland spelen. Het is heel moeilijk om me te verplaatsen in de jongens die Burnley nu zien spelen. Ze zien geen successen en als er al iets wordt gevierd is het, in vergelijking met het verleden, zeer relatief. Zoals de titel in de vierde divisie in '92.

'Ik hou ervan om naar voetbal te kijken en erover te schrijven. Maar het maakte me verdrietig als ik er aan denk dat deze club ooit kampioen van Engeland was.'

Keren de jaren van glorie ooit terug in Burnley? Ray Simpson: 'Het toeschouwersgemiddelde in de vroege jaren zestig was dertig-, veertigduizend. Als we nu zo veel supporters zouden hebben, zouden we kunnen concurreren met de grote clubs. Maar Burnley is om de een of andere reden un-fashionable, uit de tijd. Waarom precies is moeilijk te omschrijven. Wat het ook is, Burnley is er een voorbeeld van.

'Wij hebben ook geen miljonair in het bestuur, zoals Blackburn Rovers. We kunnen hem niet vinden. Zo'n man zou ons weer naar de top kunnen helpen. Voetbal zit de mensen hier in het bloed. Er wordt altijd gesproken over de passie van de supporters in Liverpool en in Manchester. Maar er is daar niet meer passie dan hier.'

Brian Miller: 'Er wordt te veel over het verleden gepraat, dat is een van de problemen hier. We hadden een goede ploeg in de jaren zestig, een erg goede ploeg. Waarom kon dat toen wel en kan dat nu niet, vragen de mensen zich af. Maar Burnley is een kleine stad. Het was eens en nooit weer.'

Jimmy McIlroy: 'Zonder een miljonair in het bestuur is het onmogelijk de top te halen. Burnley kan de lonen van de topspelers niet betalen. Er zijn nu spelers in Engeland die in een week hetzelfde verdienen als ik indertijd in tien jaar.

'Burnley zal nooit meer een grote club zijn. Een goede, jonge speler vertrekt onmiddellijk naar een rijke club, naar Liverpool of Manchester United. Het is droevig, maar in zo'n tijd leven we nu eenmaal.'

Norman Blackburn: 'De oude tijden keren nooit meer terug.'

Volgend seizoen speelt Burnley weer tegen Wycombe Wanderers, Crewe Alexandria en Shrewsbury Town en zit Norman Blackburn op zijn plaats op de noordtribune. Burnley Football Club zal veel wedstrijden verliezen, het zal vaak regenen op Turf Moor en het zal er vaak mistig en kil zijn.

Er zal worden gemopperd op de spelers en de manager en soms, steeds minder de laatste jaren maar door de oudere supporters nog regelmatig, zal worden teruggedacht aan de jaren van geluk.

Meer over