Nooit meer Auschwitz

'Dat nooit meer' is de morele boodschap die zowel erkenning van het leed van de vervolgden als de waardering voor het verzet omvat. In een monumentale studie brengt Rob van Ginkel de herinneringscultuur in kaart.

ANET BLEICH

Elk jaar wordt op 4 mei even vóór acht uur 's avonds door veel Nederlanders twee minuten stilte betracht. 'Er is', schrijft historisch onderzoeker Rob van Ginkel in Rondom de stilte 'waarschijnlijk geen ander nationaal ritueel dat zo diep in de samenleving verankerd is geraakt.' Hij heeft het over een 'eredienst voor de herinnering aan oorlogsdoden - en inmiddels vooral ook een gebed om vrede, vrijheid, democratie en mensenrechten, die als fundamentele en universele waarden worden beschouwd.'

Al zo'n vijftien jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog waren de eerste stemmen hoorbaar die betoogden dat het herdenken van die oorlog zo langzamerhand wel tot een eind zou komen. Het tegendeel bleek het geval. Van Ginkel: 'In 1995 sprak de psycholoog Nico Frijda van een 'herdenkingsdrang'en deze is nadien eerder in kracht toegenomen dan weggeëbd.' Voortdurend zijn en worden er ook nog nieuwe gedenktekens en monumenten opgericht; er is sprake van 'een uitdijende topografie van de oorlogsherinnering', een 'verdichting van het herinneringslandschap'.

Maar wie of wat worden er precies herdacht? Dat is de centrale vraag waarover Van Ginkel zich buigt. Hij is niet de eerste die zich bezig houdt met de dynamiek van de oorlogsherinnering, waarbij in de loop van de jaren andere accenten zijn gelegd, andere verhalen worden verteld. Ook Frank van Vree en Jolande Withuis hebben hierover geschreven. Van Ginkel is wel de eerste die de verschuivingen in wat hij plastisch 'het herdenkingstheater' noemt systematisch in kaart heeft gebracht. Omdat hij ook steeds een link legt tussen de inhoud van de verhalen en de vorm van de bijbehorende gedenktekens, is zijn studie heel volledig, maar ook wat te specialistisch voor de doorsnee geïnteresseerde. Dat neemt niet weg dat de inhoudelijke verschuivingen helder zijn weergegeven.

Kort na de bevrijding in 1945 ontstond het eerste Grote Verhaal. Het vertelt hoe het Nederlandse volk overweldigd en onderdrukt was door Duitsers en nazi's en hoe het dankzij de heldendaden van het verzet en de opoffering van de geallieerde militairen zegevierend uit die beproeving tevoorschijn kwam. Een geest van verzet had de grote meerderheid van 'goede Nederlanders' bezield en het was dus ook duidelijk wie 'fout' waren geweest: de minderheid van NSB- ers en collaborateurs. 'Er was zo', schrijft Van Ginkel 'een keurig ingericht en opgeruimd 'huis' van de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog gebouwd, met royaal geoutilleerde suites voor de nagedachtenis aan omgekomen geallieerde en Nederlandse militairen, verzetsmensen en vaarplichtige opvarenden van de koopvaardij. In kleinere kamers kreeg de herinnering aan andere slachtoffers een plek.'

Er zitten, signaleert de auteur, aan dit mooi ronde verhaal een paar problematische kanten. Waar het collectieve lot van het verdrukte Nederlandse volk zo centraal staat, laat het niet genoeg ruimte voor specifieke groepen op wie de nazi's het gemunt hadden: allereerst de Joden, en voorts de Roma en Sinti en Jehova's getuigen. Voor het lot van de Indische Nederlanders in de Japanse kampen was in die begintijd helemaal geen aandacht. In dit verhaal was ook geen plaats voor de passieve rol van de grote groep Nederlanders die zo goed en zo kwaad als het ging de bezetting probeerde door te komen. Het sterke accent op de geest van verzet vertekende het beeld: de minderheid die daadwerkelijk verzet had gepleegd was niet groter dan de minderheid die actief collaboreerde. Doordat de indruk werd gewekt dat bijna iedereen zich wel op een of andere manier had verzet, werd paradoxaal genoeg ook de betekenis van het actieve verzet onderbelicht. Tijdens het dieptepunt van de Koude Oorlog (jaren vijftig en begin zestig) gold dat zeker voor de communisten die nu als de nieuwe 'foute Nederlanders' werden beschouwd.

In de loop van de jaren zestig en zeventig veranderde de inhoud van het herdenkingsverhaal radicaal. Van Ginkel heeft het over een 'herinneringswending'. 'De mythe van natiebreed verzet werd inzet van discussie (...) De prangende vraag rees hoe het mogelijk was dat zo veel Joden uit Nederland weggevoerd en vermoord konden worden.' Onder invloed van onder andere het indrukwekkende relaas van Jacques Presser over de Jodenvervolging in Nederland, Ondergang, overschaduwden gevoelens van schaamte de nationale herinnering. Ook groeide bij de jongere generatie het wantrouwen tegenover het gezag. Hadden immers niet tal van gezagsdragers tijdens de bezetting gefaald in het beschermen van hun Joodse medeburgers? 'Dat nooit meer', en 'Nooit meer Auschwitz', werden het nieuwe morele credo van de herdenking, waarin niet langer de heldenmoed van het verzet, maar het slachtofferschap van de Joden centraal stond.

In hun kielzog maakten ook andere groepen zich sterk voor erkenning als slachtoffer. Vervolgde groepen als zigeuners, Jehova's en Indische Nederlanders kregen eigen herdenkingen en monumenten. Het nieuwe Grote Verhaal, gedomineerd door de Shoah, kreeg gezelschap van tal van specifieke verhalen. Ook homo's (met wier vervolging het althans in Nederland was meegevallen), ex-dwangarbeiders, kinderen van 'foute Nederlanders', die na de oorlog vaak onder uitstoting hadden geleden en zelf kampten met ambivalente gevoelens jegens hun ouders, slachtoffers van Duitse en later ook van geallieerde bombardementen - allemaal wilden ze een plek op het herdenkingstoneel. Het leidde onvermijdelijk tot onderlinge rivaliteit en tot het ontstaan van zoiets als een 'leedhiërarchie'.

Van Ginkels beschrijving van de verschuivingen in en geestelijke worstelingen rond het herdenken is overtuigend en boeiend. Maar in zijn interpretatie is hij naar mijn smaak soms wat te schematisch. Hij constateert terecht dat het herdenken zowel meer universeel ('nooit meer Auschwitz') als meer particularistisch is geworden. Zijn conclusie dat 'de verzetsmythe' heeft plaatsgemaakt voor 'een slachtoffercultus', is mij echter te rechtlijnig. In de morele boodschap 'dat nooit weer', ligt immers zowel erkenning voor het ononuitsprekelijke leed van de vervolgden besloten als grote waardering voor degenen die zich destijds tegen de vervolgers keerden. De alertheid tegenover (neo-) fascisme, antisemitisme en elke vorm van racisme en discriminatie die eveneens voortvloeit uit dit credo, mag soms al te gemakkelijk op eigentijdse verschijnselen zijn toegepast, de tegenwoordige geneigdheid om dat soort waakzaamheid buiten de orde te verklaren is nog kwalijker en dreigt de betekenis van de oorlogsherdenking in de kern aan te tasten. Het is jammer dat Rob van Ginkel daarvoor geen oog heeft.

Rob van Ginkel: Rondom de stilte. Herdenkingscultuur in Nederland.

Bert Bakker; 844 pagina's; € 29,95.

undefined

Meer over