Nooit alleen, want Allah en Jezus leiden ons

Afgelopen maanden deden werkende armen hun verhaal in de Volkskrant. Vandaag het slot: illegalen..

Door Elsbeth Stoker

Dit zijn de enige 8 vierkante meters in Nederland waar de Ghanees Saïd zich echt veilig voelt. Ze bevinden zich in een van de vele flats uit de jaren zeventig in de Amsterdamse Bijlmer. Op deze plaats hoeft de 45-jarige illegaal niet op zijn hoede te zijn: het is zijn kamer, die hij huurt van een Afrikaanse familie voor 200 euro per maand.

In deze kleine ruimte, die is volgestouwd met grotendeels gekregen spullen, bevindt zich alles wat Saïd bezit. In de hoek liggen kleren opgestapeld, op een kastje staat een cd-speler. Ernaast ligt de Koran en cd’s van Marco Borsato en Jan Smit, Saïds favoriete Nederlandse artiesten en ‘docenten’ bij het leren van de taal.

Tussen het bed en de muur ligt een opgerold bontgekleurd hoogpolig tapijtje. Dit rolt Saïd dagelijks uit, waarna hij knielt en zijn hoofd buigt in de richting van zijn oude koelkast, oftewel het oosten.

God, leid mij

U kent mijn missie

Leid mij waar ik ook ga

Waak over mij,

bij alles wat ik doe

Bescherm mij van het kwade

Waar ik ook ga vandaag,

God help mij,

klinkt het meerdere malen per dag in zijn kamer. Want het is dankzij Allah dat hij nog niet is gepakt en dat hij werk heeft kunnen vinden aan de rafelrand van de Nederlandse arbeidsmarkt. Om rond te komen en zijn familie in Ghana te ondersteunen, verhuurt Saïd zich als schoonmaker aan particulieren. Hij is niet de enige Afrikaan, Aziaat of Oost-Europeaan die als illegale ‘domestic worker’ de kost probeert te verdienen. Schattingen lopen uiteen van duizenden tot tienduizenden. Maar niemand weet het precies.

Ook is het onduidelijk in hoeverre ze een fatsoenlijk loon verdienen en onder welke omstandigheden ze moeten werken. Er doen veel horrorverhalen de ronde. Illegalen die voor 5 euro of nog minder per uur werken. Werkgevers die tegen hen zeggen: ‘Als je dit loon niet accepteert, bel ik de politie en word je gedeporteerd.’ Of nog erger in het geval van – meestal – vrouwen: ‘Je moet mijn huis poetsen en daarna met mij naar bed, anders kun je het wel vergeten’.

Saïd, wiens naam is gefingeerd, prijst zichzelf gelukkig. Oké, geeft hij toe. De eerste drie jaar dat hij in Nederland verbleef, verkocht hij tassen op de markt en verdiende hij zo’n 10 euro op een dag. Hij had nauwelijks geld om zijn huur te betalen en te eten. Behalve werken, bestonden zijn dagen uit hangen op zijn kamertje.

Inmiddels is hij al zeven jaar via via aan de slag als schoonmaker. En hij heeft ‘zijn adresjes’ niet eens van andere illegalen hoeven te kopen. ‘Voor sommige adressen vraagt men wel 200 euro’, legt hij uit. Saïd heeft zo’n vijf huizen waar hij 16 uur in de week zoet mee is. Per maand komt zijn inkomen uit op zo’n 650 euro. Na aftrekt van de huur heeft hij 450 euro over om te eten, te sparen en geld naar zijn familie te sturen. ‘Of ik stuur mobiele telefoons’, vertelt hij. ‘Mensen in Ghana denken dat wij betere hebben dan zij. Afgelopen jaren heb ik al vier mobieltjes op de post gedaan. Voor mijn moeder, mijn broer en mijn twee zussen.’

23 jaar van huis
‘Ik denk dat dit interview een cadeautje is van Jezus aan mij’, zegt Lorie May-Os (51). Ze staat in haar kleine keuken, ergens in een straat vol keurige rijtjeshuizen in Bussum. Tientallen kilometers verwijderd van het kamertje van Saïd. De geur van de frituurpan verspreidt zich over haar verdieping. Haar huiskamer staat vol met foto’s van kinderen. Vier kinderen zijn van haarzelf – ze heeft ze de afgelopen 23 jaar nauwelijks gezien. Twee van hen zijn inmiddels overleden. Daarnaast staan er nog afbeeldingen van ‘haar twaalf andere kinderen’, die Lorie in de loop der jaren heeft verzorgd.

Ook Lorie heeft geen papieren. En in tegenstelling tot veel andere lotgenoten doet zij graag haar verhaal. ‘Stel je voor: een illegale Filipijnse die beroemd wordt in Nederland’, zegt de kleine Aziatische vrouw terwijl ze loempia’s bakt voor haar gast. Wat Lorie betreft, is het verhaal van de domestic workers er een dat moet worden. verteld. ‘Want hoe krijgen we anders een werkvergunning?’

Lories reis, zoals ze het zelf noemt, begint op de Kerstavond van 1987. Die avond vliegt ze naar Singapore, omdat ze zich op 25 december moet melden bij het gezin waar ze als huishoudster aan de slag gaat. De reden dat ze haar eigen gezin verlaat, terwijl haar jongste zoon nog maar tien maanden oud is? 100 duizend pesos aan schulden. Eerder dat jaar is haar oudste zoon van 7 jaar overleden aan botkanker. Het salaris dat zij en haar man in de Filipijnen verdienen, is onvoldoende om de ziekenhuisrekeningen te betalen. Aanvankelijk denkt Lorie dat haar reis slechts een half jaar zal duren. ‘Ik dacht dat ik dan wel voldoende verdiend zou hebben om alles af te betalen.’ Maar als ze in de zomer van 1988 weer terugkeert in Baguio City blijkt de schuld alleen maar groter. ‘Mijn man was niet zo handig met geld, en daar kwam nog eens de rente bij’, vertelt ze terwijl ze een grote schaal met loempia’s op de eettafel zet.

Al vrij snel vertrekt Lorie in 1988 weer naar Singapore. Na drie jaar gaat ze naar Hongkong. Ondertussen worden haar drie overgebleven kinderen opgevoed door haar zus. ‘Mijn jongste zoon noemt haar mama.’

In 2000 ontmoet ze in Hongkong het Nederlandse expatgezin dat haar twee jaar later vraagt: ‘Onze kinderen zijn zo gehecht aan je, kom je mee naar Nederland?’ Het is een lastige keuze. In tegenstelling tot in Singapore en Hongkong kan ze geen werkvergunning krijgen voor haar huishoudelijk werk (zie inzet). Dat betekent dat ze de illegaliteit in moet: haar werkgever loopt het risico een boete te krijgen van 4.000 euro en Lorie leeft constant in de angst gepakt te worden. Bovendien betekent het ook dat ze jarenlang haar eigen familie niet zal zien. Want elk jaar een keertje op vakantie naar de Filipijnen is er vanaf 2002 ook niet meer bij. Het is dan immers maar de vraag of de douane bij terugkeer weer in de toeristenvisum-truc trapt. Ondanks al deze bezwaren zegt ze ‘ja’. ‘Ik zeg soms tegen mezelf: kom op Lorie, het zijn niet je eigen kinderen. Maar ik hou wel erg veel van ze en mijn werkgever behandelt mij met respect.’

Daar komt bij dat ze haar taak als moeder nog moet volbrengen: genoeg geld verdienen zodat haar kinderen naar de universiteit kunnen. Om dit te financieren werkt ze zo’n 57 uur per week. Behalve bij haar expatgezin werkt ze ook als schoonmaakster bij andere particulieren. Als ze een goede maand heeft, verdient ze zo’n 2.000 euro. Eind 2011 studeert haar jongste zoon af en mag ze naar huis. ‘Ik ben ook aan het sparen voor een eigen winkel.’

Sinds enkele jaren heeft Lorie er een tweede missie bij: de positie van illegale schoonmakers verbeteren. Aanleiding is het overlijden van haar tweede zoon Louie in 2005. De 23-jarige student is tijdens een ruzie met medestudenten doodgestoken.

‘Omdat ik geen papiertje heb, kon ik niet naar huis. Niet naar zijn begrafenis’, vertelt Lorie. Het gevaar was immers te groot dat ze niet zou kunnen terugkeren. Het maakt haar woest dat iemand die een baan heeft, geen strafblad heeft en geld probeert te verdienen voor haar familie, niet vrij kan bewegen. In Nederland. Sindsdien is ze actief bij mensenrechtenorganisaties zoals Respect Nederland en Trusted Migrants en is ze lid geworden van FNV Bondgenoten. ‘Ik kan al mijn pijn en verdriet kwijt in deze missie. Wij, illegale schoonmakers, willen een vergunning. Er is genoeg werk voor ons. We willen belasting betalen, een zorgverzekering afsluiten en kunnen terugvallen op een cao.’

Een groener land
‘Eigenlijk maakte het mij niet uit naar welk land ik zou emigreren’, vertelt Saïd. Hij heeft zijn kamertje in de Bijlmer verlaten en staat inmiddels met een zeem in zijn hand in een riante huiskamer ergens anders in de stad. Het is een van zijn adresjes waar hij een paar uur in de week komt om schoon te maken. Om de beurt reinigt hij de grote ramen, die uitzicht bieden op het water.

Toen hij in augustus 2000 het vliegtuig nam naar Nederland wist hij eigenlijk niks van het land. Alleen dat het er koud was, de mensen vriendelijk zijn, het leven in Europa beter is en dat enkele van zijn familieleden er al wonen.

Waarom hij is vertrokken? ‘Als oudste zoon is het jouw verantwoordelijkheid om te zorgen voor je ouders als die oud zijn’, zegt hij terwijl hij de ramen weer sluit en het gemorste water van de grond veegt. En met het verkoopbaantje dat hij in Akra had, ging hem dat niet lukken. ‘Dan kijken ze op je neer in Ghana. Als je als man niet voor je ouders kan zorgen, ben je nergens goed voor.’

Elke keer als hij wat geld kan overmaken – zo’n 50 à 100 euro per maand – is hij blij. ‘Dan heb ik het gevoel dat ik toch iets kan bijdragen. Maar ik zeg ook wel eens ‘nee’. Niet alleen mijn familie vraagt geld, maar ook vrienden en kennissen. Ze vinden het niet leuk om te horen, maar ik ben God niet. Het is hier echt niet altijd makkelijk geld verdienen.’

Ooit, op een nog niet geplande datum, gaat hij terug naar zijn ouderlijk huis. ‘Hopelijk in ieder geval voordat mijn moeder overlijdt.’

Allah is degene die zijn levenspad uitstippelt, zegt Saïd. En die gedachte geeft hem rust op momenten dat hij baalt. ‘Het is immers God die afgelopen jaren zo goed op mij heeft gepast’, zegt de moslim. Constant is hij er zich van bewust dat hij kan worden ontmaskerd als illegaal en naar zijn geboorteland kan worden gestuurd. Om het lot niet te tarten, doet hij er alles aan het contact met de politie te vermijden. Een keertje door rood licht lopen? Voor Saïd is het geen optie. Verzeild raken in een ongeluk? Het is een van zijn grootste angsten.

‘Het is vreselijk om constant op je hoede te zijn. Ik wil me ook een keer vrij kunnen voelen zoals normale mensen.’ Het kan gebeurt zijn voor je het weet, realiseert hij zich. ‘Een kennis van mij moest tijdens het Kwakoe-festival plassen. Dus hij liep naar een bosje. Maar voor hij het wist had hij een boete vanwege wildplassen en ontdekte de politie dat hij geen papieren had. We hebben hem daarna nooit meer gezien.’

Jezus
‘De eerste twee jaar waren het moeilijkst’, zegt Lorie. ‘Ik miste mijn kinderen zo.’ Daarna werd het makkelijker, dankzij Jezus. ‘Ik werd op een nacht in Singapore in 1989 wakker en voelde zo’n pijn. Ik was zo benauwd, dat ik bad: laat mij alsjeblieft niet doodgaan in dit vreemde land. Als ik moet sterven, laat me dat dan thuis doen.

‘Vervolgens voelde het alsof er een hand mijn borstkas binnendrong en de pijn weghaalde. Ik geloof dat dat Jezus was.’ Later bleek dat ze problemen had met haar galblaas. Maar dat verandert haar geloof niet. ‘Als Jezus bij mij is, ook al zie je hem niet, ben ik niet eenzaam en kan ik deze reis en het schuldgevoel aan.’

Want niet alleen heimwee, ook schuldgevoelens hebben Lorie gekweld. ‘Aan de telefoon zeiden mijn kinderen wel eens: mama, waarom heb je ons verlaten? Je houdt niet van ons.’ Maar twee jaar geleden heeft ze een goed gesprek met ze gehad. ‘Ze weten dat ik dit doe om hen een betere toekomst te geven.’

Nu haar reis op haar eind begint te lopen, is ze voorzichtig aan het denken hoe haar leven na terugkeer in de Filipijnen zal zijn. Ze ziet zichzelf al liggen in een hangmat in de lommerrijke tuin van haar vader. ‘Ik ga eerst bij mijn vader wonen.’ Of ze ooit nog teruggaat naar haar man? ‘Ik weet niet zeker of ik nog een huwelijk heb.’ Maar, zegt ze even later met een schaterlach. ‘Wie weet word ik wel opnieuw verliefd.’

Vakbond voor illegale schoonmakers
FNV Bondgenoten probeert sinds 2009 om illegale schoonmakers te organiseren. Want ook al heb je als illegaal geen cao, zorgverzekering of pensioenopbouw, je bent niet rechteloos, zegt Ellen Dekkers van FNV Bondgenoten. ‘Mensen hebben wel degelijk recht op de noodzakelijke medische zorg. We wijzen hun er ook op dat er een minimumloon is.’

Wat Dekkers betreft moet in Nederland de discussie worden geopend over de positie van illegale werknemers. ‘Stel je wordt verkracht of op een andere manier misbruikt. In Zwitserland kan je dan als illegaal aangifte te doen zonder dat je bang hoeft te zijn. In Nederland loop je het risico het land te worden uitgestuurd.’

Daarnaast wil FNV Bondgenoten dat hulp in de huishouding wordt erkend als ‘echte baan’. Deze ‘klussen’ worden nu nog niet zo gezien in Nederland. ‘Pas als het een echte baan is, kun je de discussie openen of we domestic workers een werkvergunning geven.’ Inmiddels heeft FNV tweehonderd illegalen die lid zijn, onder wie Lorie. Voor haar inspanningen ontving Lorie in 2009 de Clara Wichmann-penning.

Kalshoven is met vakantie

Meer over