Nood

SHEILA SITALSING

's Avonds, wanneer het dagrantsoen op is, de kliniek de patiënten heeft heengestuurd omdat men zuinig aan moet doen met kunstlicht en de vluchtelingen zich in hun uitdeeldekens hebben gewikkeld, wisselen de hulpverleners fluisterend hun twijfels uit. Dat ze met best wel veel op een kluitje zitten in dit ene kamp, dat ze hier allemaal hetzelfde doen terwijl een stukje verderop de mensen ook in nood zijn. Maar die zijn minder aaibaar - en niet-aaibaren helpen, dat krijgen ze thuis niet uitgelegd.

Dat is het 'het avondlijke gesprek in kleine kring', zegt Femke Halsema. Ze vindt het tijd dat dit gesprek zich verplaatst van het kampvuur naar de boardrooms van noodhulporganisaties. Gistermiddag leverde Halsema, voorzitter van Stichting Vluchteling, haar eigen bijdrage in de vorm van een fraaie, genuanceerde lezing, waarin ze nauwgezet de dilemma's schetst rond de noodhulp in Syrië en waar de Volkskrant gisterochtend al de krenten uit viste: in de strijd om donordollars maken hulpclubs oneigenlijke afwegingen en leggen ze soms de prioriteit bij 'zichtbare hulp die makkelijk te fotograferen is'. Halsema spaart haar eigen Stichting Vluchteling niet: 'Vaak zijn de afwegingen die we maken zuiver gericht op de ernst van de situatie; soms zijn ze dat minder en dan speelt fondsenwerving of media-aandacht een rol.'

En de Samenwerkende Hulporganisaties (SHO, van Giro 555) is een veredelde collectebus. Na een inzamelingsactie grist iedereen zijn deel conform vaste verdeelsleutel uit de pot; op overleg over de besteding zit niemand te wachten, want stel je voor dat hierdoor de ene organisatie geld moet afstaan aan de andere.

Kijk, Diederik Samsom, dít is nu een 'eerlijk verhaal'.

Het vervolg verliep volgens bekende patronen: triomfalisme bij de mensen die elke cent die de grens over gaat sowieso zondegeld vinden, nijdigheid bij de SHO die sterretjes zag van deze 'klap in het gezicht' en tevredenheid bij Linda Polman die vaststelde dat haar aanklacht tegen de noodhulpindustrie, De Crisiskaravaan, door Halsema handzaam was samengevat (quod non).

Het Rode Kruis, dat van Halsema een schrobbering krijgt omdat het toestemming van Bashar al-Assad vraagt voor hulpacties in Syrië, meent dat kritiek geen pas geeft, aangezien twintig vrijwilligers het leven hebben gelaten. Een curieus argument: als hulpverleners sterven, is de hulp kennelijk per definitie goed gericht.

Halsema's kanttekeningen zijn niet nieuw. Er zijn boekenplanken vol geschreven over de realpolitik van de noodhulp, over goede intenties met gruwelijke gevolgen, over de illusie dat hulp intrinsiek 'goed' is, over concurrentie, over cynische keuzen en over de rol van ons van de media, die liever foto's van gemartelde kindjes afdrukken (mits smaakvol in beeld gebracht, want te bloederig vinden de lezers niet leuk) dan van Ghassan Hitto.

En hoewel de eerste gepikeerde reacties anders suggereren, ligt er beslist geen CDA-achtig verbod op kritiek over de hulpsector. Er wordt wel degelijk gediscussieerd, bij vlagen hartstochtelijk, over dilemma's, keuzen en wensen van donateurs.

Halsema voegt daar een waardevol inzicht voor geldschieters aan toe: misschien moeten donateurs wel 'accepteren dat hulp in een crisis nooit helemaal foutloos zal zijn'. In ruil voor een collectebuseuro eisen zij verantwoording in drievoud en leuke verhalen in de krant. Van organisaties die laag in de pikorde in een smerig en onoverzichtelijk conflict de ergste wanhoop trachten op te dweilen, is dat wellicht erg veel gevraagd.

undefined

Meer over