Nood breekt wet, leert Bush in Irak

De Republikeinen zijn verdeeld over de vraag hoe om te gaan met ‘vijanden’ als Iran. Praten of bombarderen?..

Van onze medewerker Diederik van Hoogstraten

De Republikeinse presidentskandidaat John McCain formuleert met regelmaat de harde lijn tegenover Iran. Hij noemt een Iraanse kernbom ‘een onaanvaardbaar risico’. Het enige dat erger is dan Iran bombarderen, is een nucleair Iran, zegt hij. Overleg met Teheran lijkt dus onwaarschijnlijk, of zelfs ongewenst.

Maar senator McCain maakt het beleid niet, en hij is nog lang geen president. De beslissingen worden genomen door president Bush. En die heeft opnieuw ondervonden dat nood wet breekt.

De ongeschreven wet luidde sinds 2001 dat er niet zou worden overlegd met landen als Iran en Syrië, ‘schurken-regimes’ die terroristen ondersteunen en die dromen van atoomwapens en de bijbehorende macht.

Maar vanwege de nood in Irak moest die ‘wet’ worden gebroken. Zonder direct contact met – en hulp van – buurland Iran is de stabilisering van Irak welhaast ondenkbaar. En zo troffen de ambassadeurs Crocker en Qomi elkaar maandag in Bagdad. De ontmoeting, als ‘zakelijk’ omschreven, bracht geen concrete resultaten voort, zeiden de deelnemers.

Wil de Amerikaanse regering serieus praten?

De neoconservatieve positie van de oud-kabinetsleden Rumsfeld en Wolfowitz was dat overleggen met ‘de vijand’ niet alleen geen zin had, maar een teken van zwakte zou zijn. Oudgedienden in de partij waarschuwden tegen die houding. Henri Kissinger, minister van Buitenlandse Zaken onder Nixon en Ford, schreef vorig jaar: ‘Amerika heeft de plicht elk eerzaam alternatief te bekijken’. Direct overleg stond bij Kissinger bovenaan de lijst; hijzelf leidde in de jaren zeventig de gesprekken met de Sovjet-Unie en China.

Nu Rumsfeld op Defensie is vervangen door de gematigde Robert Gates, leggen Gates en minister van Buitenlandse Zaken Rice in het Midden-Oosten inderdaad een meer diplomatieke houding aan de dag.

Dat zou de deur kunnen openzetten voor formele betrekkingen met Iran. Maar ambassadeur Crocker benadrukte dat er uitsluitend wordt gepraat over de veiligheidssituatie in Irak. Níet over Irans nucleaire programma, het voornemen van president Ahmadinejad om Israël ‘van de kaart te vegen’, of het Amerikaanse ‘imperialisme’.

Dezer dagen blijkt eens te meer hoe verdeeld de Republikeinse Partij is. Terwijl het conservatieve congreslid Darrel Issa engagement met Syrië bepleit, publiceert de neoconservatieve schrijver Norman Podhoretz een stuk: ‘Waarom we Iran moeten bombarderen’.

‘Het heeft weinig zin om niet in gesprek te gaan met deze gemankeerde maar relevante speler’, zegt Issa over Syrië. ‘Er is geen alternatief voor het gebruik van militaire kracht’, schrijft Podhoretz over Iran. ‘Zo min als er in 1938 een alternatief was voor militaire kracht als Hitler een halt was toegeroepen.’

Het is bekend dat vice-president Cheney het hiermee eens is. Mogelijk is de gespierde taal van Cheney cum suis de reden dat Iran toch wil praten – en luisteren –, zoals wel wordt betoogd. Misschien is Cheney de bad cop die door dreiging beter gedrag afdwingt.

Hoe dat ook zij, in de intra-Republikeinse kakofonie houdt Bush zelf – de ‘beslisser’ – zich stil.

Meer over