Nonkeltje Seréndi

Thuiskomen in je moederland. Terugkeren naar het land waar je ouders je groot hebben gebracht. De kunstenaarsfamilie Degryse-Pallaghy op bezoek bij de dorpsonderwijzer van het Hongaarse Mónosbél....

István Seréndi is 89 jaar oud. Hij wordt honderd, of ouder, 'dat is zeker', zegt hij, want hij heeft als soldaat al enkele oorlogen overleefd, ook de collaboratie met de Duitsers en zelfs de verschrikkingen van het communisme.

Hij liep aan het front tussen de inslaande granaten en langs zijn oren fluitende kogels maar bleef 'door Gods hand' in leven, ook in 1956, tijdens de Hongaarse opstand, 'toen de Donau in Boedapest rood zag van het bloed'.

Mijnheer Seréndi is de dorpsonderwijzer van Mónosbél en woont nog steeds in het oude schoolgebouw waar hij zestig jaar lang les heeft gegeven. De familie Degryse-Pallaghy bezoekt hem elke zomer, tijdens de vakantie, want de onderwijzer 'ontvangt graag en vertelt van die ontroerende verhalen' bij een glaasje lichte tokajwijn en een bordje fijne Hongaarse biscuitjes.

Zijn gelaat is van een soort stevig en gerimpeld perkament. Seréndi is een streng maar rechtvaardig man. Wanneer hij iemand bestrafte, 'was de straf terecht', vinden zijn dorpsgenoten. Hij lacht minzaam maar tegelijk, zeker na een derde glaasje, ook ietwat ondeugend. Dan gaan zijn pretoogjes fonkelen en geeft hij zijn bezoek wiskunde- of fysicales, ook nu nog, nu hij bijna negentig is.

Laatst nog zag hij een 69-jarige dorpsgenote en oudleerlinge in de kerk. Ze begroette hem beleefd, vol ontzag zoals vroeger op school, met een eerlijk 'nonkeltje Seréndi'. Hij sprak haar aan op een toon alsof ze nog bij hem op de schoolbankjes zat, zestig jaar geleden. Want niemand durft hem tegen te spreken. 'Dat deden ze vroeger ook niet.' De dorpelingen kennen zijn harde hand en de aanwijsstok waarmee hij streng maar rechtvaardig bestrafte.

Mijnheer of liever nonkeltje Seréndi kent het hele dorp. Het halve kerkhof heeft bij hem school gelopen. Hij is meer dan een halve eeuw onderwijzer geweest en - als het aan hem lag - was hij het nog. Eens schoolmeester, altijd schoolmeester. Hij kent alle dorpelingen bij naam, want hij heeft een goed geheugen. Zo kan hij ook 'in juiste volgorde' de namen spellen van het hele regiment soldaten dat onder zijn bevel stond. 'Dat waren er negenhonderd.'

Elk jaar nog neemt Seréndi deel aan het officiële staatsexamen 'rekenen en taal' om zijn geheugen te oefenen en te controleren. Dit jaar, zucht hij, had hij voor het eerst 'niet allemaal tienen voor taal'. Maar rekenen. . .

Zijn eetkamer in de voormalige dorpsschool is een klein museum, het archeologische museum van zijn leven, volgestouwd met herinneringen: de oude en ietwat vermolmde viool die hij in zijn jeugd uitstekend bespeelde, enkele beduimelde jeugdtekeningen, vakantiesouvenirs uit Fribourg en Krakow, het ingelijste onderwijzersdiploma en een enkele familiefoto. Hij bezit nog maar één vooroorlogse foto, uit 1936, in officiersuniform met zijn toekomstige vrouw.

'Alle familiefoto's van vroeger zijn door de Russen in het vuur gegooid', zucht Seréndi. 'Alles, alles is weg.'

Nog dagelijks bespeelt hij het huisorgel. Dan zingt of neuriet hij oude en melancholische liederen, verhalen over de heldhaftige maar verloren strijd tegen de Turken of de Mongolen en zwaarmoedige volksliederen over mislukte boerenrevoluties. Hij pakt zijn vergeelde zangboek, een meer dan honderd jaar oude 'liederenkrans', en zingt zijn droevige liederen. Dan sluit hij de ogen, en gaat in de vele rijke kamers van zijn sterke geheugen op zoek naar lang vervlogen maar niet vergeten tijden.

En zo krijgt, vakantie na vakantie, tijdens die onder een boom gevoerde conversaties, Mónosbél ook gestalte in het werk en de verbeelding van Luc Degryse. Je herkent op zijn tekeningen de typetjes: de bibliothecaris van Eger, waar hij zijn vrouw Piró leerde kennen, de dorpsonderwijzer, de juffrouw van het stationnetje van Mónosbél, de mannen en de vrouwen van de cementfabriek, en de dronkaards in het dorpscafé. Piró en Luc houden van zulke bezoeken. Ze versterken de saamhorigheid van hun dorp. Dan zitten ze gezamenlijk onder een boom, of 'onder onze notelaar'. Op tafel staat steevast een glazen kruik tokaj of een kleine pul palinka. En nonkeltje Seréndi vertelt.

Hij heeft namelijk, kortgeleden, een ereteken gekregen. Het lintje en het medaillon worden erbij gehaald: een zilveren ster op een satijnen kussentje in een groen geverfd doosje. En nonkeltje kreeg ook nog een diploma, op zijn negenentachtigste, uit handen van de president. Het door de eerste burger van het land ondertekende papier gaat rond en de glazen worden in de gauwte nogmaals gevuld.

Prosit! Nog eentje, èn nog eentje - op z'n Hongaars.

Paul Depondt

Donderdag in deel 3: De cementfabriek.

Meer over