Nominale premie is slecht idee

CDA, VVD en LPF hebben overeenstemming bereikt over invoering van een nominale ziektenkostenpremie. Geen goed idee, vindt H.J.J. Leenen. Het zal de concurrentie nauwelijks bevorderen....

TIJDENS de onderhandelingen over de kabinetsformatie is overeenstemming bereikt over een nominale premie voor de wettelijke ziektekostenverzekering. Is het invoeren van een nominale premie echter wel zo'n goed plan?

Ten gunste van een nominale premie wordt vaak aangevoerd dat via de premie geen inkomenspolitiek mag worden bedreven, dat een nominale premie de concurrentie bevordert en dat zij een gunstige werking op vraagsturing door de patiënt heeft.

Op het argument van de inkomenspolitiek is wel wat af te dingen. Inkomenspolitiek voltrekt zich altijd binnen het kader van bestaande inkomensverhoudingen. We kennen in Nederland thans een stelsel met in belangrijke mate inkomensafhankelijke premies. Het invoeren van een nominale premie betekent dan ook een wijziging van de bestaande inkomensverhoudingen. Inkomenspolitiek dus.

In beginsel zou nominaliteit van de premie concurrentie kunnen bevorderen. Maar de vraag is of het feitelijk ook zo werkt. Zo zijn er bijvoorbeeld weinig indicaties dat de bestaande nominale premies in de wettelijke ziektekostenverzekeringen een concurrentiebevorderend effect hebben. Nog duidelijker geldt dat voor de, in vergelijking met de rest van Europa omvangrijke, particuliere ziektekostenverzekeringen waar de premies geheel nominaal zijn. Ook daar is amper concurrentie.

Er zijn daarvoor verschillende redenen. Een eerste is dat zich op het terrein van de ziektekostenverzekeringen een zodanige concentratie heeft voorgedaan - en nog verder in het verschiet ligt - dat de overstapmogelijkheid voor de verzekerde steeds geringer worden. Voorts verschillen de premies in verhouding tot de verzekeringsvoorwaarden zodanig marginaal dat de verzekerde, mede door de administratieve rompslomp bij overstap, die overstap niet zo gauw zal maken.

En ten derde komen bij overstap acceptatie en uitsluitingen aan de orde. Dat levert vaak problemen op. Zeker voor mensen boven de veertig worden nogal eens barrières opgeworpen. Het is nog maar de vraag of de voorgenomen invoering van een acceptatieplicht in dit opzicht veel zal veranderen. Dat komt onder andere omdat in de gezondheidszorg marktprincipes niet werken, zoals door buitenlandse en recent ook binnenlandse economen is ontdekt.

Vervolgens het argument van de vraagsturing. Het is twijfelachtig of de nominaliteit van de premie vraagsturing zal bevorderen. Ook hier weer kan de particuliere sector als voorbeeld dienen. Er is daar niet meer vraagsturing dan bij de wettelijke ziektekostenverzekeringen. De relatie tussen premie en dienstverlening is niet zo direct. Dit nog afgezien van wat vraagsturing in de gezondheidszorg feitelijk kan inhouden. Gezondheidszorg is meestal een vorm van gedwongen consumptie, soms zelfs acuut. En wat valt er momenteel door de patiënt te sturen met wachtlijsten bij poliklinieken en ziekenhuisopname?

Hoe het de patiënt in de zorgverlening vergaat hangt vooral af van de hulpverlening. Die zou naar mijn mening veel meer patiëntgericht kunnen zijn dan thans vaak het geval is. Hoe de nominaliteit van de premie daarbij een rol zou kunnen spelen, is geenszins duidelijk.

Er is nog meer tegen nominale premies in de wettelijke ziektekostenverzekering aan te voeren. Bij een basisverzekering van rechtswege moet iedereen de nominale premie betalen. Dus ook iemand met een laag inkomen, bijvoorbeeld op bijstandsniveau. In verhouding tot dat inkomen is die premie onevenredig hoog. Dat lijkt me niet aanvaardbaar. Dan moet dat maar worden gecompenseerd uit de overheidskas is daarop het antwoord van de voorstanders. Daarmee is een bedrag van waarschijnlijk aanmerkelijk meer dan een miljard euro gemoeid. Zonder dat het iets voor de gezondheidszorg of aan gezondheidswinst oplevert.

En dat terwijl er in de gezondheidszorg nog zoveel geld nodig is. Bijvoorbeeld voor het oplossen van de personeelsschaarste en verbetering van de rechtspositie van het personeel. Bovendien zal de inkomenscompensatie bij invoering van een nominale premie niet eenvoudig zijn. Omdat het om een verplichte betaling gaat, eist de rechtvaardigheid dat er ook werkelijk wordt gecompenseerd.

Hoe dan ook, het zal zeer waarschijnlijk tot een nieuwe bureaucratie leiden. En dat terwijl terugdringing van de bureaucratie in de gezondheidszorg niet alleen algemeen noodzakelijk wordt geacht, maar ook een van de programmapunten van de formerende partijen is. Zo zie je maar hoe voor een dogma andere beleidsvoornemens opzij worden gezet.

Het is droevig dat de aandacht weer zo wordt geconcentreerd op het premiestelsel, en niet op de volksgezondheid zelf. Dat zou toch het centrale element moeten zijn. Ik heb het dan nog niet eens over solidariteit, die bij inkomensafhankelijke premies beter tot zijn recht komt dan bij nominale premies.

Invoering van een nominale premie in de wettelijke ziektekostenverzekering kan beter worden nagelaten. Er wordt een boel overhoop gehaald, er is geen gezondheidswinst van te verwachten en er worden meer problemen gecreëerd dan opgelost.

Meer over