NOBLESSE OBLIGE

'DE verslonzing van de elite' luidde onlangs de kop boven een interview met Andreas Kinneging in HP/De Tijd. De Leidse rechtsfilosoof uitte zijn bezorgdheid over een dalend niveau van onze bestuurlijke en politieke elite, die slaafs het volk zou volgen en het verdienen van een hoop geld belangrijker zou achten...

De normen van het bedrijfsleven zijn overgebracht naar de publieke sfeer, betoogde Kinneging. De notie van het noblesse oblige is verloren gegaan. De elite wil vooral gewoon overkomen, terwijl zij zich juist zou moeten onderscheiden.

In ieder geval dient zij zich te verdiepen in de twee bronnen van onze beschaving, namelijk de klassieke oudheid en het christendom. Door lezing van Vergilius, Horatius, Plato en Aristoteles kan de elite zich vormen en een intellectueel en moreel kompas vinden.

Het onderstrepen van het belang van een aristocratisch karakter van onze leiders past uitstekend in de conservatieve wereldbeschouwing van Kinneging. Het past aanzienlijk minder goed in de moderne gelijkheidsidologie. In de oren van Nederlandse nivelleerders klinkt het begrip elite als een anachronisme.

In ons land, constateert de politicoloog Hoogerwerf in zijn recente boek Elites in de democratie, is dan ook heel weinig nagedacht over politiek leiderschap. Naar elites is volgens hem misschien nog wel minder onderzoek verricht dan naar fruitvliegjes.

Toch concentreert in elke samenleving de macht zich in de handen van weinigen. Elites zijn onvermijdelijk, omdat het de meeste mensen aan de behoefte en/of de talenten ontbreekt zich als bestuurder te ontplooien. Zelfs in vrij kleine organisaties zien we een ongelijke verdeling van macht. De Duits-Italiaanse socioloog Robert Michels sprak van een ijzeren wet der oligarchie: 'Wer Organisation sagt, sagt Tendenz zur Oligarchie.'

Belangrijk voor een samenleving is daarom dat de machtigsten ook over geestelijke kwaliteiten en fatsoen beschikken. H. Drion noemde dit in zijn Huizinga-lezing van 1986 het eliteprobleem: hoe bereiken we dat degenen de de macht in de samenleving hebben en het daarbij passende aanzien genieten, ook de besten van de samenleving zijn?

Dat een samenleving wordt geleid door een relatief kleine groep, is niet erg, zolang de meerderheid maar het idee heeft dat de macht bij die groep in goede handen is. Een elite moet vertrouwen en respect afdwingen. Er zijn tekenen - en Kinneging wees daarop - dat dit aanzien en respect afneemt.

In de eerste plaats is er het beeld van inhaligheid. Dubieuze bijbaantjes voor procureurs-generaal en topambtenenaren, goed betaalde commissariaten voor Kamerleden, gouden handdrukken voor mislukte bestuurders, dat doet het imago van de politiek-bestuurlijke top geen goed.

Dit imago wordt er zeker niet beter op door de geringe bereidheid na gemaakte fouten op te stappen. We moeten zeker niet toegeven aan het verlangen van crisisbeluste journalisten naar permanent rollende koppen. Maar alom bestaat de indruk dat onze bestuurders wel erg gehecht zijn aan het pluche. En er is weinig dat het politieke cynisme onder de bevolking zo bevordert als het aanblijven van non-valeurs.

Cynisme groeit ook door de onwetendheid die politici geregeld demonstreren als hun algemene ontwikkeling wordt getest. Elke keer als ik het Kamerlid M. van Zuijlen zie, moet ik bijvoorbeeld denken aan de bewering van deze historica dat Willem van Oranje bij Dokkum werd vermoord.

Vaak proberen politici hun gebrek aan intellectueel overwicht te compenseren door zich heel volks en joviaal voor te doen. Zo zagen we bij het vijftigjarige jubileum van de VVD drie Kamerleden als Linda, Roos en Jessica, twee commissarissen van de Koningin als de Blues Brothers en een minister als de populistische dictatorsvrouw Evita Péron optreden.

Dat was leuk, vonden sommigen. Anderen zullen zich afvragen of dergelijk carnavalesk gedoe de noodzakelijke autoriteit van politici niet ondermijnt. Is het goed als je een minister vooral met zang en dans associeert? De afgelopen jaren is er veel geklaagd over de kloof tussen burgers en politiek, die te groot zou zijn.

Maar die kloof is waarschijnlijk eerder te klein. Politici moeten niet functioneren als doorgeefluik voor de wensen van burgers, maar behoren die wensen tegen elkaar af te wegen. Het baseren van standpunten op een visie op algemeen belang in plaats van op opiniepeilingen en op klachten van boze brievenschrijvers creëert automatisch afstand, een afstand die wezenlijk is voor doordachte besluitvorming.

Een dergelijke kloof zal worden aanvaard als de burger ervan overtuigd is dat de belangrijke besluiten niet worden genomen door hebzuchtige, onwetende baantjesjagers, maar door wijze, onkreukbare bestuurders. De Nederlandse politici moeten daarom niet zozeer lijken op de Nederlandse burgers. Zij moeten beter, geleerder, intelligenter, ijveriger, fatsoenlijker zijn dan wij. Zij moeten, kortom, elitair zijn.

Meer over