Nixon verder ontluisterd

WEINIG staatslieden uit het recente verleden hebben zulke heftige en tegenstrijdige emoties losgemaakt als Richard Nixon. Zijn lange politieke carrière was een aaneenschakeling van pieken en dalen, van triomfen en tegenslagen....

Vanaf het begin was Nixon een omstreden figuur, door zijn aanhangers bejubeld en door zijn politieke tegenstanders intens gehaat. Tijdens zijn politieke opmars manifesteerde hij zich als een onverschrokken vechter, die vaak meedogenloos te werk ging, maar toen hij eenmaal de top had bereikt viel hij geregeld ten prooi aan onzekerheid en verwarring.

Hij maakte aanvankelijk naam als communistenvreter, maar verwierf zich later de reputatie van weldenkend strateeg, die een belangrijke bijdrage leverde aan de ontspanning tussen Oost en West. Hij repte veelvuldig van de eenvoud en rechtschapenheid van het Quaker-milieu waaruit hij afkomstig was, maar in het Witte Huis ging hij zijn boekje zozeer te buiten dat impeachment onafwendbaar werd en hij zich als eerste Amerikaanse president gedwongen zag zijn ambtstermijn voortijdig te beëindigen.

Dat was in 1974, en Nixon heeft nadien nog twintig jaar de tijd gehad om zijn blazoen te ontdoen van de ergste smetten. Op het eerste gezicht is dat redelijk gelukt. Hij onderhield met succes zijn internationale netwerk en wist zich te tooien met de mantel van elderly statesman. Met als gevolg dat hij zes jaar geleden door al zijn vijf opvolgers en hun echtgenotes naar zijn laatste rustplaats werd gebracht en dat er aan zijn graf slechts lovende woorden werden gesproken.

Een nog veelzeggender - en ironischer - vorm van eerherstel had zich een jaar tevoren voltrokken, toen Nixon met veel egards was ontvangen door de nieuwe bewoner van het Witte Huis, Bill Clinton, exponent van de generatie die in de jaren zestig en zeventig tegen hem te hoop was gelopen. Voor Nixon, die in de verkiezingscampagne nog veel misbaar had gemaakt over Clinton, was de ontvangst een aangename verrassing. 'De beste die ik sinds mijn aftreden heb gehad', zou hij tegen zijn vrienden zeggen.

Met zijn Republikeinse partijgenoten Ronald Reagan en George Bush was het contact altijd stroef geweest; Nixons voorkeur voor strategische bespiegelingen, ruim gelardeerd met krachttermen, bleek aan Clinton veel meer besteed.

Toch kan van een heuse rehabilitatie niet worden gesproken. Voor velen blijft Nixons naam synoniem met politiek bederf, met misleiding en dubbelhartigheid.

In American Rhapsody, Joe Eszterhas' hilarische en kritische zedenschets van de Clinton-era, wordt Nixon in korte tussenscènes ten tonele gevoerd als de night creature, die op latere leeftijd nog steeds scheldt en tiert als het gaat om de hippie hoodlums die de Amerikaanse cultuur vergiftigden en de straat optrokken om tegen de Vietnam-oorlog te demonstreren. Het toeval wilde dat Nixons biografe in die laatste jaren Monica (Crowley) heette, hetgeen Eszterhas doet verzuchten dat de stroom van haatdragende woorden die Nixon haar in de mond legde, per saldo toch abjecter is dan wat Clinton in de mond van zijn Monica stopte.

Naarmate de jaren verstrijken zal het aanzien van Nixon er vermoedelijk niet beter op worden. De 37ste president van de Verenigde Staten was bezeten van wiretapping: altijd bang dat zijn tegenstanders hem zouden proberen af te luisteren (want hij schrok er zelf ook niet voor terug), en vervuld van een dwangmatige behoefte zijn eigen gesprekken te registreren. Hij liet derhalve een voor die tijd geavanceerd opnamesysteem installeren in zijn werkvertrekken, waarmee duizenden uren aan gesprekken werden vastgelegd.

In het onderzoek naar het Watergate-schandaal speelden de banden die daarop betrekking hadden, een cruciale en voor Nixon fatale rol. Maar die vormden slechts een klein deel, het merendeel van de resterende opnames ligt nog achter slot en grendel en zal de komende jaren in delen worden vrijgegeven. Afgaande op wat tot nu toe naar buiten is gekomen, is de kans klein dat uit het overige materiaal plotseling het beeld zal oprijzen van een hoogstaand en ruimdenkend mens.

Aan de ontluistering van Nixon wordt ook een krachtige bijdrage geleverd door een nieuwe biografie, The Arrogance of Power, geschreven door BBC-journalist en auteur Anthony Summers. Er is veel over Nixon en zijn presidentschap geschreven - met als voorlopig hoogtepunt de driedelige biografie van historicus Stephen Ambrose -, en het is eigenlijk wel een waagstuk om alsnog aan een omvattende studie te beginnen. Maar Summers, die eerder van zich deed spreken met biografieën van Marilyn Monroe en J. Edgar Hoover, is een gedreven en ervaren graver, en zijn omvattende research heeft veel aanvullende informatie opgeleverd. The Arrogance of Power bevat tal van saillante details die een scherper licht werpen op de persoonlijkheid en het politieke leven van Richard Milhous Nixon.

Bij de lancering van het boek in de Verenigde Staten hebben de belangrijkste nieuwtjes die Summers heeft achterhaald, al de nodige aandacht gekregen. Zo deed hij de ontdekking dat Nixon op aanraden van een bevriende zakenman dilantin is gaan slikken en dat vermoedelijk jarenlang heeft volgehouden. Dilantin is een geneesmiddel voor epilepsie-patiënten, maar Nixon gebruikte het als antidepressivum. Het kan ongewenste bijwerkingen hebben, vooral als het wordt gebruikt in combinatie met alcohol en slaappillen, zoals de president geregeld deed.

Nog een graadje brisanter is de onthulling dat in de slotfase van het Watergate-schandaal de toenmalige minister van Defensie, James Schlesinger, de chefs van staven te verstaan heeft gegeven dat eventuele orders van de president niet zonder zijn toestemming mochten worden uitgevoerd. Schlesinger nam deze stap uit bezorgdheid over de mentale toestand van Nixon, die op verschillende van zijn medewerkers bij tijd en wijle een verwarde indruk maakte.

Dit zijn smakelijke krenten, maar ze vormen niet de hoofdzaak. Summers' biografie exploreert vooral de schimmige achterkant van de man die zich al snel de bijnaam Tricky Dick verwierf. De bevindingen zijn soms onthutsend.

Hoewel onomstotelijke bewijzen schaars zijn en er dus voornamelijk moet worden afgegaan op circumstantial evidence, maakt Summers aannemelijk dat Nixons banden met de georganiseerde misdaad en andere dubieuze zakenlieden nog veel inniger waren dan tot nu toe werd aangenomen. Een sleutelrol daarbij speelde zijn Cubaans-Amerikaanse vriend Bebe Rebozo, die diverse lucratieve zakenprojecten bestierde in het Caribisch gebied. Vermoedelijk sluisde hij grote bedragen naar Nixons verkiezingskas.

Zeer waarschijnlijk profiteerde Nixon ook van aanzienlijke donaties van buitenlandse regeringen of instanties, die hoopten daarmee een goede ingang tot het Witte Huis te verkrijgen. Dat was allemaal illegaal en gebeurde dus in het geheim of via een omweg. Zo zou in 1968 het Griekse kolonelsbewind Nixons campagnebureau een bedrag van ruim een half miljoen dollar hebben toegespeeld, waarbij een Grieks-Amerikaanse zakenman als tussenpersoon fungeerde. Mogelijk hield de - destijds verrassende - keuze van Spiro Agnew als Nixons running-mate daarmee verband; Agnew was van Griekse komaf.

Bij het veroveren van de macht kende Nixon weinig morele remmingen, en toen hij eenmaal de absolute top had bereikt bleef de straatvechter in hem zich voortdurend manifesteren. Altijd waren er tegenstanders die het op hem hadden gemunt en die koste wat kost moesten worden bestreden. Altijd waren er verwaande intellectuelen uit zulke elitaire broedplaatsen als Harvard en Yale die hem niet serieus namen en wie een lesje moest worden geleerd.

Ook hier maakt Summers de tinten in Nixons portret nog wat donkerder dan ze al waren. Niet alleen was hij behept met kwaadaardigheid en rancune, maar hij leed ook in toenemende mate aan geestelijke labiliteit, die nog werd verergerd door overmatig alcoholgebruik. Jarenlang zetelde er een president in het Witte Huis die regelmatig incoherent was en impulsieve besluiten nam die onverkwikkelijke gevolgen zouden hebben gehad als zijn naaste medewerkers niet zo verstandig waren geweest om met de uitvoering ervan even te wachten of er een slimme draai aan te geven.

Er valt moeilijk aan de indruk te ontkomen dat Summers op dit punt de feiten en getuigenissen wel erg eenzijdig rangschikt. Nixon vervalt welhaast van de ene dronkenschap in de andere depressie. Dat is een beetje te veel van het slechte. Eerdere biografen hebben ook ruime aandacht besteed aan Nixons kwalijke eigenschappen. Maar ze hebben ook geprobeerd te verklaren waarom Nixon zich toch ontpopte als een politicus van formaat en vooral op het internationale toneel behoorlijke successen kon boeken. 'Het is moeilijk vast te stellen waar de cynicus in hem ophoudt en de visionaire kant van zijn karakter begint', schreef de Britse politicus Jonathan Aitken een paar jaar geleden.

Zo'n zin wordt node gemist in The Arrogance of Power. Het is een monumentaal boek, maar in zijn streven om toch vooral te voorkomen dat het historisch oordeel over Nixon te mild zou uitvallen, heeft Summers het onwillekeurig enkele trekjes van een nixoniaanse vendetta gegeven.

Meer over