Nieuwe Zorgwet is niet goed genoeg

De Eerste Kamer is van plan in te stemmen met een nieuw zorgstelsel. Maar de wet is maar half goed, vinden Jan Hamel e....

Jan Hamel en Kim Putters; Frank Heemskerk en Godelieve van Heteren

Dinsdag debatteerde de Eerste Kamer over de Zorgverzekeringswet. Die wet lijkt volgende week door de senaat te worden geloodst, waarmee minister Hoogervorst voor elkaar krijgt waarover twintig jaar lang is onderhandeld: een basisverzekering voor iedereen, die door concurrerende zorgaanbieders en zorgverzekeraars op de markt moet worden uitgevoerd.

Een verplichte basisverzekering is een langgekoesterde wens, ook van de PvdA. Ook is geen mens tegen meer keuzemogelijkheden voor patiënten of flexibiliteit in het zorgaanbod. In het debat presenteerde Hoogervorst dit als belangrijke elementen van solidaire zorg, maar de manier waarop basisverzekering en marktwerking nu vorm krijgen, biedt geen garantie voor succes. Met de Zorgverzekeringswet kiest de regering voor half goed en dat is in de gezondheidszorg niet goed genoeg.

Wat ontbreekt is draagvlak. Zelfs na aanvullende toezeggingen is het stelsel niet voldoende publiek georiënteerd, niet cliëntgericht genoeg en niet kwaliteitsbestendig genoeg. Bovenal dreigt er een eenzijdige concurrentie op prijs en niet – zoals Hoogervorst suggereert – op kwaliteit.

Gezondheidszorg is een publiek domein, geen proeftuin. Structureel blijven er dus meerdere redenen om grote twijfel te hebben bij deze Zorgverzekeringswet.

1. De Zorgverzekeringswet gaat uit van koopkrachtige patiënten, die probleemloos stemmen met hun voeten en makkelijk kiezen tussen polissen. Veel patiënten willen echter vooral dat zaken goed geregeld zijn en zien door de bomen het bos niet meer als ze straks moeten kiezen. Niemand weet welke ziekte hem zal treffen. Het risico bestaat dat men – zeker met een kleine beurs – simpelweg de goedkoopste polis neemt. Dit is niet automatisch een keuze voor de beste zorg.

2. Deze Zorgverzekeringswet zet betaalbaarheid van zorg op de tocht door hoge nominale premies en de onrechtvaardige no-claimregeling, die vooral slecht uitpakken voor chronisch zieken en ouderen met een lager inkomen. De compensatiemechanismen, zorgtoeslag en verevening, bieden onvoldoende soelaas.

3. De wet introduceert een doorgeschoten rol voor private verzekeraars. Eerder dan de verzekeraar een uitvoerder te maken van een publiekrechtelijke zorgverzekering, kiest Hoogervorst voor private verzekeraars die winst mogen maken en uitkeren. De overheid verliest belangrijke mogelijkheden tot sturing. Het zal gaan wrikken in een strijd tussen winstmaximalisatie, prijsconcurrentie en zorg om kwaliteit.

4. De juridische, privaatrechtelijke vormgeving is Europees risicovol. Er is gekozen voor een privaatrechtelijke organisatie van het zorgstelsel. Nu legt de nationale overheid nog verplichtingen op aan de concurrerende zorgverzekeraars, zoals de eis aan verzekeraars om alle verzekerden te accepteren (acceptatieplicht) en het recht van verzekeraars op compensatie bij hoge en dure risicogroepen (verevening). Door de privaatrechtelijke vorm kunnen de mogelijkheden van de overheid zulke publieke waarborgen te eisen Europees op termijn onder druk komen te staan.

5. De wet hinkt op twee gedachten. Hoogervorst wil marktwerking en kostenbeheersing tegelijk. Met enerzijds een geprivatiseerde gezondheidszorg, waarin de overheid steeds minder grip heeft op de toegankelijkheid, betaalbaarheid en kwaliteit. En anderzijds een geprivatiseerd gezondheidszorgveld dat krampachtig gebonden wordt aan kostenbeheersing, waardoor marktprikkels niet goed uitpakken voor patiënten.

6. De wet biedt te weinig garanties voor goede kwaliteit. Het is onduidelijk wie straks echt de kwaliteit gaat bewaken. Hoogervorst mikt op de inzet van verzekeraars. Maar het blijft onduidelijk of de zorgverzekeraars niet vooral op prijs zullen gaan concurreren. En verzekerden hebben niet veel andere mogelijkheden dan eenmaal per jaar te wisselen van verzekeraar als de geboden zorg in hun polis niet naar wens is. Met alle administratieve rompslomp van dien. De inspraak van verzekerden op de zorginkoop, bijvoorbeeld door cliëntenraden, is nog steeds niet geregeld .

7. Tot slot: een grote hervormingsoperatie behoeft een zorgvuldiger en tijdiger communicatie met burgers. Invoering van de Zorgverzekeringswet per 1 januari 2006 is voor veel mensen een te grote overval. Het signaal dat Nederland

bij het EU-referendum gaf, zou ook bij de zorghervormingen te denken moeten geven: dat grote maatschappelijke veranderingen mensen te snel gaan en aantasten in hun bestaanszekerheid wanneer doelen en marsroute onvoldoende helder zijn.

Wij bepleiten een inkomensafhankelijker verdeling van de lasten, de afschaffing van de noclaimkorting en een voorzichtiger inzet van marktwerking. In sommige sectoren van de zorg kunnen marktprikkels nuttig zijn, maar alleen binnen een publiek kader van strikte voorwaarden rond patiënteninvloed, kwaliteit en goed toezicht. Marktprikkels moeten eerst aan de aanbodkant hun nut bewijzen. Toetssteen moet zijn: meerwaarde voor patiënten!

Dit alles is nog steeds mogelijk. Het is geen toeval dat in de wandelgangen van de zorg steeds meer twijfel doorklinkt bij de koers van het kabinet. Weinigen durven hardop 'ho' te roepen. De meeste betrokkenen willen niet te boek staan als tegenstander van hervorming. Waarmee de hamvraag 'Welk probleem willen we nu eigenlijk oplossen?', ook wordt ingeslikt. Het feit dat het ministerie van VWS, verzekeraars, zorgaanbieders en organisaties als de Consumentenbond, anticiperend op de nieuwe wetgeving, al vele manuren en miljoenen euro's hebben geïnvesteerd, maakt het ook niet eenvoudiger de rijdende trein te stoppen en de koers te wijzigen.

Laten we de parlementaire enquête over de vraag waarom het misging voorkomen. Beter ten halve gekeerd, dan ten hele gedwaald .

Meer over