Nieuwe kennis en de keizer

Humanisme, reformatie, ontdekkingsreizen; tijdens de regering van Karel V was Europa in beroering. De wetenschap sloeg nieuwe wegen in en bloeide op....

OUD EN DER dagen zat was keizer Karel V toen hij in 1555 afstand deed van de troon. Zijn rijk was weliswaar machtig en zo groot dat de zon er nooit onderging, maar zijn onderdanen waren meer verdeeld dan ooit, vooral langs religieuze lijnen. Weg droom van een harmonieus, katholiek imperium.

Maar in diezelfde turbulentie waren kunsten en wetenschappen opgebloeid als nooit tevoren sinds de Oudheid. Karels regeerperiode, pakweg de eerste helft van de zestiende eeuw, was het tijdperk van een nieuw type geleerden: de humanisten. Overal in Europa maakten zij zich los van de middeleeuwse tradities om terug te grijpen op de klassieken, vooral de Romeinen. En als het nodig was, vulden ze die klassieken aan, met eigen waarneming en denkwerk. Zo ontstond nieuwe wetenschap.

Leuven was een belangrijk centrum daarvan. Daar stond de eerste - en lange tijd de enige - universiteit in de Nederlanden. Vandaag is in die Belgische stad de tentoonstelling Wereldwijs - Wetenschappers rond Keizer Karel opengegaan, die het baanbrekende werk van Leuvense geleerden zichtbaar moet maken.

Europa was toe aan zulk baanbrekend werk. Ontdekkingsreizigers en handelaren legden de wereld open en konden daarbij assistentie van geografen, wiskundigen en kaartenmakers goed gebruiken. Reformatorische bewegingen lieten zien dat het gezag van de kerk taande: nieuwe theologische inzichten waren nodig als munitie in de geloofsstrijd. Boekdrukkers verspreidden de pas verworven kennis over het continent.

Maar waarom juist in Europa en niet in zulke machtige staten als China en het Arabische rijk, waar de wetenschap in de Middeleeuwen ver voorliep op de Europese? Juist de opdeling van Europa in staten was debet aan de opleving hier, legt wetenschapshistoricus prof. dr. Geert Vanpaemel uit in zijn Leuvense werkkamer. Hij is hoogleraar in Leuven en Nijmegen en voorzitter van het wetenschappelijk comité van de tentoonstelling.

'China bijvoorbeeld', zegt hij, 'werd sterk van bovenaf geregeerd. Alles had betrekking op de persoon van de keizer. Zo was drukwerk uitsluitend bestemd om er mooie kunstwerken mee te maken in opdracht van de keizer. Ook in de Arabische wereld werd wetenschap van hogerhand gecontroleerd, vooral toen het islamitische rijk in het defensief raakte.

'In Europa kwam de interesse voor wetenschap niet in de eerste plaats van bovenaf. Wel van bijvoorbeeld kaartenmakers en boekdrukkers, om commerciële redenen. En wat in het ene land niet kon, kon wel ergens anders. Neem al die stadsstaten in Italië: kon je in Venetië iets niet gedrukt krijgen, dan ging je naar Genua, en omgekeerd. De geleerden kwamen overal, reisden veel en konden taalproblemen omzeilen door Latijn te gebruiken.'

Het lijkt vreemd dat bij al die vernieuwing zo driftig werd teruggegrepen op de Ouden, maar voor de geleerden ten tijde van Karel V was hier niets raars aan. Vanpaemel: 'De hele Middeleeuwen door bestond hier het idee dat er in de Oudheid iets groots was verricht, dat er een gave, humane beschaving had bestaan. Men greep er dan ook graag op terug toen dat eenmaal kon. Eén factor die dit mogelijk maakte, was de sterke afname van de islamitische macht in het Middellandse-Zeegebied, waardoor veel resten van de klassieke beschavingen voor Europeanen toegankelijk werden.'

Maar helemaal op de Ouden terugvallen wilden en konden de humanistische geleerden niet. Neem de manier waarop zij omsprongen met het werk van de astronoom Ptolomaeus uit Alexandrië, tweede eeuw na Christus. In de vijftiende eeuw werd diens boek Geographia herontdekt en vertaald. Maar de kaarten bij dit werk waren verloren gegaan en dus moesten die erbij worden gemaakt. Het werden de eerste, min of meer getrouwe kaarten van de wereld, waar zeevaarders als Columbus graag mee werkten.

Diezelfde Ptolomaeus had in de beschrijving van het planetenstelsel de aarde in het middelpunt geplaatst. Toen de Poolse astronoom Copernicus in de zestiende eeuw Ptolomaeus' stelsel poogde te vereenvoudigen, plaatste hij de zon in het middelpunt ervan en zette en passant de astronomie op haar kop.

Op vergelijkbare manier bloeide in Leuven de wetenschap. Eerst was er Erasmus, die er in 1517 het Collegium Trilingue, het Drietalencollege, oprichtte. Er werd Latijn, Grieks en Hebreeuws onderwezen opdat de (aankomende) geleerden de juiste bronnen in de oorspronkelijke taal konden raadplegen.

Een van de leerlingen was Vesalius. Hij las het werk van de Romeinse arts Galenus, die zich vaak baseerde op eigen anatomisch onderzoek. Heel wat anders dan de Middeleeuwse artsen in Europa die alleen voorlazen uit dikke, geleerde boeken waarin stond waar de organen zaten en waartoe ze dienden, maar die zelf nooit een ziek of dood lichaam aanraakten. 'Bij de slager leer je meer', moet Vesalius gezegd hebben en hij vernieuwde het medisch onderwijs door met studenten erbij sectie op lichamen te verrichten en didactische anatomische platen en boeken uit te geven.

Verder was er de geneesheer Dodonaeus, die zelf het veld inging om planten te bekijken en op basis daarvan zijn Cruydeboek samenstelde. Er was Gemma Frisius - uit Friesland - die nieuwe wiskunde ten behoeve van het kaarten maken uitvond. En natuurlijk was er zijn leerling, de beroemde kaartenmaker Mercator.

De weerslag van het werk uit die tijd is op de tentoonstelling te zien in de vorm van boeken, platen en instrumenten, niet zelden kostbare en unieke stukken. Behalve de hier afgebeelde stukken zijn er onder meer een eerste druk van Vesalius' anatomische atlas uit 1543, de hemelglobe van Gemma Frisius (1537), Mercators eerste wereldkaart uit 1538 en een collectie originele brieven van Erasmus en Thomas More te bewonderen.

En keizer Karel? Als prinsje had hij les gehad van de Leuvense hoogleraar Adrianus van Utrecht, later paus Adrianus VI. Als keizer toonde hij vooral interesse in de wetenschap achter de oorlogvoering, met name de vestingbouw, maar ook in kosmografie en geografie. De ateliers van de Leuvense universiteit bloeiden vanwege Karels opdrachten voor kaarten en instrumenten.

Maar de vorst had de universiteit nodig om nog een andere reden: Maarten Luther, de grootste nagel aan de keizerlijke doodskist. Leuven moest theologen en juristen leveren die het tegen hervormers als Luther konden opnemen. Overreding was het aanvankelijke doel; de keizer probeerde de kritiek op de gevestigde kerk in de hand te houden. Maar toen de reformatie een massabeweging werd, niet meer in toom te houden, kwam er repressie. Op de expositie is het eerste exemplaar te zien van de index van verboden boeken (1546), die in Karels opdracht is gemaakt door Leuvense theologen.

'Toch is de universiteit nooit een willoos instrument van die repressie geworden', zegt Vanpaemel. 'Er is altijd openheid gebleven. Behoud van oude tradities, maar wel met heel veel studie en discussie.'

Meer over