Nieuwe financiering beperkt toegankelijkheid kinderopvang

HET geld voor kinderopvang wordt vanaf 1 januari 1996 naar de gemeenten overgeheveld, en bij de omvang van de rijksbijdragen zal uiteindelijk de norm worden gehanteerd dat tegenover elke gesubsidieerde plaats twee bedrijfsplaatsen dienen te staan....

Voor groepen die zich voor een gesubsidieerde plaats moeten inschrijven, wordt de toegankelijkheid van de kinderopvang verder beperkt. Op dit moment is het aandeel gesubsidieerde plaatsen landelijk gezien ongeveer 70 procent (de verhoudingen kunnen per gemeente en per kinderopvangorganisatie enorm verschillen), maar dat moet in de toekomst worden teruggebracht tot 30 procent.

Voor dat beperkte aanbod bestaan lange wachtlijsten. De wachtenden kunnen worden onderscheiden in laag-opgeleide, al dan niet flexibele werknemers; vrouwen die een opleiding volgen met het oog op herintreden; alleenstaande ouders die (willen) werken; freelancers en kleine zelfstandigen.

Voor gesubsidieerde plaatsen zijn de wachtlijsten soms wel twee jaar, meldt Maria Hendriks. De kans is groot dat de wachtlijsten nog langer worden wanneer het aanbod aan subsidieplaatsen verder afneemt.

Een onderzoek van Research voor Beleid (1994) naar effecten van de Stimuleringsmaatregel heeft aangetoond dat de toegankelijkheid van de kinderopvang tussen 1990 en 1994 is afgenomen voor specifieke 'subsidie-groepen' als alleenstaande moeders, laagbetaalde werknemers, en allochtone ouders. Juist deze ouders zijn vaak niet in staat alternatieve, particuliere vormen van opvang te betalen.

Welke gevolgen heeft het als deze groepen steeds minder beroep op de gesubsidieerde opvang kunnen doen?

Vanuit ouders en hun kinderen bekeken, is kinderopvang een niet meer weg te denken voorziening met een maatschappelijk belang. Zowel voor ouders die werken, als voor ouders die om een andere reden een beroep op de kinderopvang willen doen. Kwalitatief goede kinderopvang kan een ware verrijking in het leven van kinderen en ouders zijn.

Het lijkt er echter op dat het overheidsbeleid meer door technisch-financiële overwegingen is bepaald, dan door inhoudelijke keuzes in het verlengde van de nagestreefde doelstellingen. De uitwerking van het bedrijfsplaatsenbeleid is immers bepaald niet stimulerend voor grote groepen (bijvoorbeeld lager-opgeleide) vrouwen die wel willen werken.

Naast de financiering mag de toegankelijkheid van de kinderopvang niet uit het oog worden verloren. Een brede toegankelijkheid voor verschillende groepen ouders is daarbij van essentieel belang.

Leonie Zwetsloot

De auteur is bestuurslid van Boink (Belangenvereniging van Ouders in de Kinderopvang).

Meer over