Column

'Niets wijst erop dat Moslimbroeders beseffen dat ze hun hand hebben overspeeld'

Vanwege het succes van de Moslimbroeders en vanwege de opmars van de politieke islam in het hele Midden-Oosten zijn we geneigd te denken dat Egypte en religieuze orthodoxie een vanzelfsprekend huwelijk vormen, schrijft Paul Brill. 'De werkelijkheid is - gelukkig - genuanceerder.'

Het Tahriplein in Egypte. Beeld afp
Het Tahriplein in Egypte.Beeld afp

In een van de tv-uitzendingen die de afgelopen week waren gewijd aan Egypte, zag ik saillante historische beelden van president Nasser. Vermoedelijk uit de late jaren vijftig. Hij hield een toespraak en vertelde dat hij de leiding van de Moslimbroederschap had uitgenodigd voor overleg, om te bezien of de Broeders een rol konden spelen in het landsbestuur. En met welke eis waren ze gekomen? Dat vrouwen voortaan verplicht met een hoofddoek over straat zouden gaan. Vanuit de zaal klonk een homerisch gelach en Nasser maakte een wegwerpgebaar dat aan duidelijkheid niets te wensen overliet: daar kon hij natuurlijk niet aan beginnen.

Deze beelden herinneren eraan dat islamistische scherpslijperij vanouds door veel Egyptenaren met wantrouwen en afgrijzen is bekeken. Het kan geen kwaad daar nog eens bij stil te staan, omdat we vanwege het succes van de Moslimbroeders bij de Egyptische verkiezingen en vanwege de opmars van de politieke islam in het hele Midden-Oosten geneigd zijn te denken dat Egypte en religieuze orthodoxie een vanzelfsprekend huwelijk vormen.

Religieuze en culturele verscheidenheid
De werkelijkheid is - gelukkig - genuanceerder. Het lijdt geen twijfel dat in Egypte de islam een belangrijke plaats inneemt en dat de Moslimbroederschap een kracht van betekenis is. Maar er is ook een traditie van religieuze en culturele verscheidenheid. Westerse politieke doctrines - van liberalisme tot marxisme - hebben er wortel geschoten. Egyptenaren zijn er ook lange tijd beter dan andere Arabische volkeren in geslaagd om de tegenstellingen in hun overbevolkte land binnen de perken te houden. Bij bezoeken aan de regio in de jaren tachtig en negentig viel me altijd op dat het politieke spel in Egypte subtieler werd gespeeld dan in de meeste andere Arabische landen en dat de repressie er, ondanks ernstige schendingen van de mensenrechten, per saldo minder drukkend en rauw was.

De kapitale fout die de afgezette president Morsi en zijn Moslimbroeders hebben gemaakt, is dat zij hun verkiezingszege hebben opgevat als een mandaat om de Egyptische maatschappij op islamistische leest te schoeien. Of misschien moeten we niet spreken van een fout, maar zit het domweg in de aard van het beestje: de meeste islamisten zien de democratie niet als een waarde op zich, maar als een instrument dat slechts een tijdelijk doel dient.

Hoe dan ook, de conclusie die ze uit hun electorale succes trokken, vormde als het ware het spiegelbeeld van de verkeerde taxatie die liberale Egyptenaren (en veel buitenlandse waarnemers) maakten na de omverwerping van het bewind-Mubarak, namelijk dat heel het Egyptische volk smachtte naar verlichting en democratie. Zoals dat twee jaar geleden een misrekening bleek, zo hebben Morsi en de zijnen de werkelijke steun voor hun islamistische project zwaar overschat. Menig kiezer die in de tweede ronde op hem stemde, deed dat louter omdat hij net iets minder argwaan wekte dan zijn tegenstander, die voortkwam uit het ancien regime.

Maar in plaats van het pluriforme karakter van het electoraat te erkennen, negeerde de nieuwe president minderheden en andersdenkenden en drong hij in toenemende mate het islamistische programma op aan het land. Met als bizar dieptepunt de benoeming van een fundamentalist tot gouverneur van toeristenstad Luxor (waar deze als lid van een terreurgroep dood en verderf had gezaaid).

Verzet
Het verzet hiertegen heeft op 30 juni een massa op de been gebracht die qua omvang de protesten van februari 2011 nog overtrof. Maar laten we niet wederom de fout van toen maken en denken te weten wat 'het volk' verlangt. Het volk spreekt niet met één stem. En als deze massabeweging toch van een herkenbaar etiket moet worden voorzien, dan lijkt me de typering van de intelligente blogster Nervana het meest toepasselijk: dit is geen revolutie ten behoeve van een specifieke democratische uitkomst, 'dit is een revolutie om de Egyptische identiteit te verdedigen'. En niet te vergeten: een revolutie uit woede over de incompetentie en het wanbestuur van het bewind-Morsi, waardoor miljoenen Egyptenaren nog slechter af zijn dan ten tijde van Mubarak.

Bij alle onzekerheid over het verdere verloop van deze revolutie staat één ding wel vast: Egypte zal nog een lange periode van instabiliteit doormaken. Niets wijst erop dat bij de Moslimbroeders het besef doordringt dat ze hun hand hebben overspeeld en dat ze zich beter kunnen spiegelen aan de gematigder koers van hun geestverwanten in Tunesië. Met het applaus voor het leger, dat tv-zenders heeft gesloten en de top van de Broederschap heeft vastgezet, laat het tegenkamp zien dat ook daar een beperkt democratiebegrip opgang doet. De instituties die voor checks and balances zouden moeten zorgen, zijn zwak ontwikkeld.

Intussen werkt één mechanisme zonder haperen: met een beschuldigende vinger wijzen naar het Westen, met name naar Washington. Daarin vinden islamisten en seculieren elkaar wonderwel. Nu heeft de regering-Obama zeker geen vlekkeloze partij gespeeld. Maar de buitenlandse invloed wordt eens te meer zwaar overdreven. Het lot van Egypte wordt niet bepaald door de Amerikanen, laat staan door duistere kapitalisten van zekere huize.

Paul Brill is buitenlandcommentator voor de Volkskrant.

Meer over