Niets verzet zich tegen erkenning Joegoslavië

Het kabinet wil overgaan tot erkenning van 'klein-Joegoslavië.' CDA en Groen Links vinden dit voorbarig en vragen zich af of het land wel aan alle voorwaarden voldoet....

WOENSDAG buigt de Tweede Kamer zich over de erkenning van de Federale Republiek Joegoslavië. Het voorstel van het kabinet om hiertoe over te gaan, werd vorige week door het Kamerlid De Hoop Scheffer (CDA) ter discussie gesteld. Hij vond erkenning van wat voorheen 'klein-Joegoslavië' werd genoemd - bestaande uit Servië en Montenegro - en de voormalige autonome provincies Vojvodina en Kosovo - voorbarig.

Gesteund door zijn collega Sipkes (Groen Links), wil De Hoop Scheffer een definitief besluit afstemmen op de Europese Unie (EU) en toetsen aan de criteria van de VN. Daarnaast maken beide volksvertegenwoordigers zich zorgen over de mensenrechten in Kosovo.

Een opmerkelijke houding. Ten eerste heeft de EU zich reeds bereid verklaard de Federale Republiek Joegoslavië te erkennen. In navolging van Groot-Brittannië zijn België en Duitsland inmiddels tot erkenning overgegaan. Frankrijk heeft al sinds begin februari een ambassadeur in Belgrado.

Ten tweede heeft Joegoslavië voldaan aan de door de VN gestelde criteria. Belgrado accepteerde de opgelegde sancties en bracht de Bosnische Serviërs aan de onderhandelingstafel. Met Kroatië werd een oplossing voor de kwestie Oost-Slavonië bereikt en wordt momenteel onderhandeld over wederzijdse diplomatieke betrekkingen.

Voorts droeg president Slobodan Milosevic bij aan het succes in Dayton, waar de basis werd gelegd voor het vredesproces in Bosnië-Herzegovina. Door Servische verdachten aan het Joegoslavië Tribunaal uit te leveren voldeed Belgrado aan de laatste VN-voorwaarde.

Om nu de erkenning van Joegoslavië van Kosovo afhankelijk te maken, is uiterst twijfelachtig. Weliswaar verdient de behandeling van de voornamelijk Albanese bevolking geen schoonheidsprijs, maar van etnische zuiveringen door de Servische minderheid is geen sprake. Kosovo tot twistpunt maken zou olie op het smeulende vuur gooien zijn, terwijl de erkenning van Joegoslavië Belgrado ertoe zou kunnen bewegen een vorm van autonomie toe te staan. Daarnaast speelt Kosovo in de internationale politiek geen rol van betekenis: in de Dayton-akkoorden werd de kwestie zelfs niet eens genoemd.

Voorts hanteren De Hoop Scheffer en Sipkes een dubbele standaard door erkenning aan consensus en mensenrechten te koppelen. Daartoe hoeft slechts op het relaas van de Commissie-Badinter te worden gewezen.

Deze arbitragecommissie werd in november 1991 door de EU in het leven geroepen en kreeg de opdracht voorwaarden op te stellen waaraan een deelrepubliek zou moeten voldoen alvorens erkend te kunnen worden. Aan de hand van deze criteria werden de aanvragen van Slovenië, Kroatië, Bosnië-Herzegovina en Macedonië beoordeeld.

In januari 1992 presenteerde de Fransman Robert Badinter zijn bevindingen. Volgens hem voldeden slechts Slovenië en Macedonië aan de gestelde voorwaarden. Kroatië en Bosnië vielen af, omdat de autoriteiten van beide laatstgenoemde republieken geen afdoende bescherming konden bieden aan hun nationale minderheden.

De EU negeert dit advies volkomen. Nog diezelfde maand zwichtte men voor Duitse druk, en ging de EU over tot erkenning van Slovenië en Kroatië. Enkele maanden later zou Bosnië volgen. Macedonië's erkenning werd dank zij Griekse protesten tegengehouden. Nederland paste zich moeiteloos aan.

Wat Kroatië betreft, had de EU geen grotere inschattingsfout kunnen maken. Dank zij de erkenning werden de administratieve binnengrenzen van een federale deelrepubliek opeens internationaal erkende buitengrenzen. Dit stelde de Servische minderheid voor een fait accompli. Uit protest riepen de Serviërs in de Kroatische grensgebieden hun eigen Republiek van de Servische Krajina uit.

Doordat Serviërs in Kroatië's nieuwe grondwet niet langer gelijkgesteld werden aan Kroaten, was het Servische nachtmerrie-scenario uitgekomen: in hun ogen waren zij tweederangs burgers in een nieuwe Ustasja-staat geworden. Het conflict in Kroatië escaleerde. Een weg terug was er niet meer.

Ook in Bosnië opende het EU-besluit de Doos van Pandora. President Alija Izetbegovic werd voor een dilemma geplaatst, doordat het besluit hem dwong te kiezen tussen oorlog en Servische dominantie. Terwijl Izetbegovic er bij de EU op had aangedrongen geen onomkeerbare stappen te nemen. De erkenning betekende het einde van de dialoog in Bosnië en was het startsein voor de burgeroorlog. Evenals hun broeders in Kroatië, riepen de Bosnische Serviërs een eigen republiek uit.

Tot twee maal toe, ging zowel de EU als Nederland bewust voorbij aan consensus en mensenrechten.

Uit het voorgaande blijkt dat de argumenten van De Hoop Scheffer en Sipkes weinig steekhoudend zijn. Van een weloverwogen en eensluidend Europees buitenlands beleid is immers geen moment sprake geweest. Europarlementariër Gijs de Vries deelde de EU voor haar falende diplomatie zelfs 'de Nobelprijs voor hypocrisie' uit. Daarnaast vormde de mensenrechten geen beletsel Kroatië en Bosnië te erkennen. Tegen deze achtergrond valt de problematiek in Kosovo in het niet.

OVERIGENS hebben CDA en Groen Links weinig recht van spreken. De twijfel aan Belgrado's goede bedoelingen staat in schril contrast met de kritiekloze houding van het CDA ten opzichte van Kroatië (zie het vurige pleidooi van CDA's partijvoorzitter voor Zagrebs toetreding tot de diverse Europese instellingen).

En het is in dit verband ook opmerkelijk dat Groen Links zich druk maakt over mensenrechten. Immers, toen een Kroatisch offensief in de zomer van vorig jaar in de exodus van 200 duizend Serviërs resulteerde, bleef het angstig stil.

Het kabinet kan de kritiek van de oppositiepartijen daarom eenvoudig naast zich neerleggen. Het niet erkennen van de Federale Republiek Joegoslavië zou hypocriet zijn.

Jan Ballast is historicus.

Meer over