Niets is nog echt op Batam

Batam zit in de greep van een octopus: het welvarende Singapore. De stadstaat groeit uit zijn voegen en heeft zijn oog op het Indonesische eiland laten vallen....

PAUL DEPONDT

Het meisje achter de bar, dat zoutjes en nootjes in sierlijke houten kommetjes schept, glimlacht zoals op de glamourfoto's van een of andere Aziatische airline wanneer ik haar vraag hoe ik op Batam Island kom. Iedereen gaat naar Batam. Het grote Indonesische eiland voor de kust van Singapore is voor de meeste Singaporezen wat het Lido is voor de Venetianen: de weekend-speeltuin.

Het was vroeger een halfvergeten, idyllische plek in de Indonesische Riau-archipel, een paradijs met een dicht oerwoud, de oerbossen van Zuidoost-Azië. Batam was een mooi, slaapdronken eiland onder een feestelijk blauwe hemel waar nauwelijks iemand kwam. Het was de schuilplaats van de orang laut, piraten en zeenomaden, woest en bloeddorstig uitziende krijgers uit een stripverhaal, die zo goed als zeker binnenkort zullen figureren in een of ander Disney-spektakel op hèt sprookjeseiland van Indonesië.

Aan het eind van de jaren zestig vonden de Indonesiërs er olie - zwart goud. De oerbossen werden weggekapt, wat nog tussen de mangroves kroop, werd verjaagd, er verrezen armtierige huisjes voor de dagloners, en sindsdien is het eiland Batam op weg om in het derde millennium het tweede Singapore in de Growth Triangle te worden.

Pertamina, de staats-oliemaatschappij, besloot het eiland te ontwikkelen. Indonesië keek met afgunst naar het 'kapitalistische Singapore', op nauwelijks twintig kilometer, naar het economisch wonder van Zuidoost-Azië. Vanaf de pier van Sekupang, de veerboot-terminal, zie je aan de overkant van de Straat van Malakka de skyline van Singapore. Dat maakt nieuwsgierig.

Het meisje in de bar aan Boat Quay in Singapore kent Batam. Het is een populair eiland, voor haar niet omdat je er kan surfen en winkelen, maar omwille van de radiostations. Sinds jaren luisteren de jonge Singaporezen naar de wilde rockmuziek van Radio Zoo of Radio Ramako, dè culturele export van de Indonesische archipel. Voor de jonge mensen in Singapore is Batam een modeverschijnsel; het is er soms veel leuker dan in hun deftige stadstaat.

Wie op Batam een auto heeft, is rijk of zou rijk kunnen worden. Er rijden nauwelijks of geen bussen, alleen 'hotelbussen'. Iedereen die een auto bezit, is ook taxichauffeur, tegen woekerprijzen; kostprijs van de rit, na een gemoedelijk en tegemoetkomend gesprek à la minister Pronk: dertig Singaporese dollars. De prijs is niet onbelangrijk. Op Batam is er steeds meer 'open en verdoken' concurrentie, het nieuwe toverwoord in de Indonesische ontwikkelingsfilosofie.

Mijn chauffeur zegt: 'We hebben nauwelijks of geen werk.' Er is volgens hem 'oneerlijke invoer' - er komen anderen. Elke dag reizen duizenden arbeiders vanuit Singapore of Bintan Island in snelle vleugelboten naar het eiland Batam.

In de vroege morgen gaat mijn taxichauffeur naar het Batam Tourism Promotion Board aan de drukke terminal-pier van Sekupang, dè draaischijf van de 'illegale' taximarkt. Hij woont sinds drie jaar op het eiland. Vroeger werkte hij in dienst van een of andere Singaporese aannemer, maar sinds vijf maanden is hij werkloos. Dat verhaal hoor je wel meer op Batam; naast de vele dagloners is er een groeiend aantal Indonesiërs dat een eigen zaak wil.

Batam is 415 vierkante kilometer groot. Overal zijn snelwegen aangelegd, kilometerslange grijze strepen in een eindeloos uitgestrekt landschap van poreuze, rode kleigrond. Er is een nieuwe luchthaven, de Hang Nadim Airport, genoemd naar een of andere admiraal van Malakka's oorlogsvloot, een sea-terminal voor vrachtschepen - Asia Port, een nieuw Business District in Nagoya en hypermoderne toeristische centra voor een tropical Batam escapade.

Mijn gesprekspartner komt, na enig aandringen, vanonder zijn lege schrijftafel te voorschijn. 'Het middagdutje', verontschuldigt hij zich en wrijft over zijn hemd. In de 'nieuwe stad', die in hoog tempo wordt gebouwd, staan in het Bida-kantoor - de Batam Industrial Development Authority - tientallen pronkerige maquettes in grote glazen vitrines. Op Batam wordt het ene na het andere hotel gebouwd: Turi Beach Resort, Nagoya Plaza, The Royale Eastern Hotel, Meliá Panorama, Batam View. In Nagoya Town verrijzen gigantische woonsteden, honderden gelijke huizen, maar ook winkelcentra, want Batam zit in de greep van een octopus: het welvarende Singapore.

De stadstaat is te klein geworden. Singapore heeft nood aan leefruimte. Onder het motto 'bringing the world to Singapore; bringing Singapore to the world' bereist prime minister Goh Chok Tong de planeet. Hij is wellicht de meest uithuizige eerste minister ter wereld. Vorig jaar was hij in China, India, Viëtnam, Duitsland, Groot-Brittannië, Maleisië, Australië, Frankrijk, Zwitserland, Nieuw-Zeeland en twee keer in Indonesië. Hij is op zoek naar vers buitenlands geld voor wat zijn tegenstanders 'het economisch imperialisme van Singapore' noemen.

In de jaren tachtig veranderde de Maleisische grensstad Johor Bahru in een Singapore-achtige dependance. Op kosten van Singapore werd een snelweg aangelegd. Meer dan vijftigduizend Singaporezen steken elke dag de grens over naar het nabijgelegen Johor. Het is 'het model' - althans nog enigszins theoretische model - van wat Goh Chok Tong voor ogen staat: een kraaknette, hypermoderne en totalitair geregeerde industriestad - een denkoefening in 'selling Singapore to the world'.

De perschef geeft mij het statistical report, jaargang 1993, want alle exemplaren van het nieuwe rapport zijn weg. Batam is in trek bij de investeerders, vooral bij de Singaporezen, die de Riau-archipel meer en meer als hun dependance dicht bij huis beschouwen. Vanaf het eiland zie je in de verte de hoofdkwartieren van de financiers. Singapore 'unlimited' betaalt de infrastructuur, want uiteindelijk is het vooral hùn politiek. De stadstaat groeit uit zijn voegen; er is geen plek voor meer industrie, voor meer kantoren, of voor meer arbeidskrachten. Daarom investeert Singapore in de Riau-eilanden, vooral in het dichtbij gelegen Batam.

Wat ooit het grootste pretpark, het grootste industrieterrein en de grootste slaapstad (of beter: slaapeiland) van de Growth Triangle moet worden, is nu nog een gigantische bouwput. Overal zie je hijskranen, bulldozers en vrachtwagens, alsof op het eiland de dinosaurussen uit de film van Spielberg zijn teruggekeerd. Je hoort niks anders dan kloppen, suizen, drillen en boren, een kakafonische ode aan de economische ontwikkeling van de Indonesische archipel.

Ik krijg zin om te vliegen, om het omgewoelde landschap vanuit de lucht te bekijken, maar ik mag me gelukkig prijzen met de gammele auto die ik tegen dertig dollar - het anderhalve weekloon van de barman in mijn hotel - voor een rondrit kon huren. Het is een very busy eiland. De bedrijvigheid op Batam staat in schril contrast met de bureaucratie in het Bida-kantoor. Het is een uitvoerend kantoor, want de echte tekentafels van Batams economische en demografische expansie staan in Singapore.

Het zijn contrasten, je krijgt er mee te maken. Je reist uiterst comfortabel vanuit het fonkelwitte World Trade Centre aan Finger Pier in Singapore naar het haventje van Batam, waar krakkemikkige visserssloepen dobberen. Het is maar een half uur varen, langs enkele luxueuze privé-eilandjes in de Straat van Malakka en de tientallen schepen die de haven van Singapore aandoen. VIP's krijgen een bijzondere service - de shopping-service, want Batam wordt in hoog tempo de nieuwe shopping-mall van Singapore.

In 1973 telde Batam nauwelijks zesduizend inwoners; in 1994 al meer dan honderdvijftigduizend. Het moet uiteindelijk een nieuw Singapore worden voor ruim twee miljoen inwoners.

Eind december van vorig jaar kondigde de Indonesische president Suharto aan dat West-Sumatra voortaan ook deel uitmaakt van de Growth Triangle: de groeidriehoek met Johor in het zuiden van Maleisië, de Riau-eilanden en Singapore. Die vrijhandelszone verzekert Indonesië het lidmaatschap van de club van de jonge tijgers, mèt Hongkong, Zuid-Korea, Singapore en Thailand.

Het masterplan voor Batam is ronduit indrukwekkend. Rond de baai van Teluk Tering zwelt de nieuwe stad aan als een waterhoofd. Het moet de spil van Batams expansie worden, met kantoren, winkelcentra en opleidingsinstituten voor de vele honderdduizenden arbeidskrachten die Singapore en Indonesië in een joint venture op Batam willen stationeren.

De Asia Port aan de oostkust moet een haven zijn voor schepen tot 150 duizend ton. In het centrum van het eiland wordt een industriepark van meer dan vijfhonderd hectare aangelegd, met woonsteden voor de arbeiders. Batam moet het industriële kloppende hart worden van Zuidoost-Azië.

Maar het is ook een speeltuin voor de Singaporezen. Rond Nongsa aan de noordoostkust en nabij de haven van Sekupang zijn door buitenlandse investeerders verschillende luxe-hotels gebouwd en golfterreinen aangelegd. Batam moet in de ogen van eerste minister Goh Chok Tong en president Suharto niet alleen een tweede Singapore worden, maar ook een tweede Sentosa, het pretpark op het groene Singaporese eilandje tussen Batam en Singapore.

In Singapore is alles 'thema'. In de karaokebars kun je televisiekamers huren, ingericht naar een of ander thema: de Far West, de tijd van de zeepiraten, de jaren zestig of een sober Japans vertrek. De kamers worden verhuurd voor een gezellige zangstonde in de gepaste atmosfeer en entourage. Het is allemaal namaak, maar daar houden de Singaporezen van. Alleen al voor de kerstversiering vorig jaar van Orchard Road, de beroemde winkelstraat van Singapore, werd meer dan tien miljoen Singaporese dollar uitgegeven aan spectaculaire decorstukken waarachter de winkels schuilgingen.

Hun Disney-world is het kleine eiland Sentosa voor het World Trade Centre. Het is een meervoudig themapark. Tot 1970 was Sentosa een Britse militaire basis, Pulau Belakang Mati, maar nu is het hèt oord voor vermaak. Elk jaar komen meer dan een miljoen bezoekers per sloep of per kabelbaan (of gewoon langs de brug) naar Sentosa to get away from it all, voor een belachelijke History World, een ietwat ordinair wassenbeeldenmuseum, een insectuarium en een Underwater World, een vlinderpark, een Volcano Land, een compleet Aziatisch dorp, maar vooral voor Sun World en Fun World.

Op Batam komt, tegen het eind van de eeuw, ook zo'n Sentosa World. De visrestaurants in kelong-stijl, op palen gebouwd, maken nu al deel uit van Batams Fun World, een plek voor the greatest feast in the east. Op Batam is een Waterfront City gebouwd, een gigantisch complex dat nog gedeeltelijk in de steigers staat, met alle mogelijke vormen van watersport. Je kunt er een buggy huren, zo'n elektrisch autootje voor het gezin, of een mountain bike. Waterfront City is Batams succesnummer.

Het Indonesische Batam en Singapore zijn twee verschillende werelden. De oorspronkelijke, ietwat ruige visserscultuur is verdwenen. Voor de toeristen op het eiland wordt alles ingevoerd, niet alleen het eten, maar ook de dansers, de batik, de poppen en het aardewerk. Batam is een pretpark; niets is nog echt. Het is een hectarengrote advertentie voor het Singaporees economisch wonder.

De uitwassen van de Batam boom zijn groot. Aan de rand van Nagoya zijn de sloppenwijken van Batam, huizen van plaatijzer en karton in de oude, verkommerde stad. Nabij Nagoya ligt Bukit Girang, de prostitutiebuurt van Batam. Wat in Singapore niet kan, mag op Batam. Ook dat trekt horden Singaporezen naar het eiland, op zoek naar de prostituées in de karaokebars van Nagoya Town. Voor de Singaporezen is Batam dè plek to get away, weg van hun strenge moraal, hun belachelijke voorschriften en wetgeving en hun dwingende en stresserende arbeidsethos.

De contrasten zijn groot. Met hun pluche beertjes, beladen met zakken en koffers, met golfsticks en allerhande op Batam belastingvrij gekochte goederen, staan de Singaporezen in de late namiddag weer voor de ingang van de VIP-lounge van Sekupang. Naast die lounge, die je kunt vergelijken met een kitscherige en Las Vegas-achtige bar, is de vertrekhal voor alle anderen.

Ik wring me tussen honderden lichamen, tastend met mijn documenten in mijn hand in het duister, op zoek naar het loket. Het is niet groter dan een televisiescherm, maar alle paspoorten en tickets, èn twee dollar taks, moeten door dat kleine raampje. In het gedrum voel ik in de drie zakken van mijn broek drie verschillende handen. Mijn documenten verdwijnen in een van de tientallen kartonnen dozen, wanordelijk op een stapel op het bureau van de douanebeambte. De terminal van Sekupang is geen World Trade Centre.

Het is een dagelijks bureaucratisch ritueel op de pier van Sekupang. Na verloop van tijd worden enige namen afgeroepen en krijg je je documenten terug. Het gaat allemaal tergend traag. Soms verdwijnt iemand, nadat hij een of andere beambte wat heeft toegestopt, in een apart kamertje. Die krijgt een boarding card voor boot 'twee'; ik kreeg er een voor de 'acht', de allerlaatste.

Na bijna acht uur wachten, moedeloos en wanhopig, zie ik mijn paspoort van de ene opgestoken hand naar de andere verhuizen in de richting van mijn geroep. Het is een half uurtje van het World Trade Centre naar Batam, maar omgekeerd een ongekend veelvoud daarvan.

Meer over