Niets aan kracht en plezier verloren

Stop Making Sense. Nederlandse Schilderkunst uit de Jaren Tachtig. In het Dordrechts Museum te zien t/m 19 januari 2014. dordrechtsmuseum.nl

Het is een moment dat in de hersenharddisk staat gegrift. Je nadert een statige museumzaal en ziet een suppoost al hiphoppend voorbijschieten. Zomaar. Omdat de schilderijen aan de muur hem vrolijk maken.

Het jaar: 1983. Museum: Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. De tentoonstelling: Amerikaanse graffitispuiters als Rammellzee en Blade op doek. Een jaar later brengt het Stedelijk Museum in Amsterdam met La Grande Parade een grootse ode aan de naoorlogse schilderkunst. Vooral de recente doeken vallen op, van verfkrachtpatser Julian Schnabel tot de mysterieuze beelden van Enzo Cucchi.

Hoe en waar het precies begon, valt moeilijk te achterhalen. Maar in de jaren tachtig kwam van Amerika tot Europa de schilderkunst weer uitbundig tot bloei. Gedaan was het met twintig jaar minimalisme en ingehouden verstandig zijn. Mede onder invloed van de economische crisis en de punkmentaliteit werden de emoties gevierd en mocht en kon alles.

Ook in ons land werd druk geschilderd. Hoe druk blijkt in het Dordrechts Museum. Daar is voor het eerst een museale tentoonstelling gewijd aan de Nederlandse schilderkunst uit de jaren tachtig. Die kwam in die tijd overal vandaan, van kraakpand tot atelier en kunstopleiding. De vraag is: overleeft deze bonte stoet schilderijen het museum?

En hoe! Het eerste wat opvalt: de ongebreidelde mogelijkheden en tolerantie. Waar voorheen de kunst was losgezongen van verleden en actualiteit en slechts de abstracte richting zaligmakend was, kon in de jaren tachtig alles onderwerp zijn. Van politiek tot kunstgeschiedenis, van mythe tot popmuziek. Wild en in grote kwaststreken kwakt Bart Domburg de mythologische Achilles op geprepareerd bloemetjesgordijn (Achilles tegen de Russen, 1981). In felle hanepoten dringt de actualiteit door: tegen kernwapens en de Russen. Maar wild, naïef en herkenbaar is niet het enige dat telt. Aan de andere kant van het spectrum schildert Han Schuil zijn rustige, ingetogen kleurvlakken even indrukwekkend op platgeslagen en aan elkaar genageld blik.

Het tweede dat opvalt: de verfstreek, tot voor kort onzichtbaar, mag weer persoonlijk en heftig zijn. De kleuren modderig of fel, maar altijd veel. En de verf is overheersend traditioneel, olieverf, soms acryl, waarmee ook de taal van spuitbus en fotografie kan worden gevangen. In de ode aan Andy Warhol van Marlene Dumas en Ton van Summeren (Fame Andy Warhol, 1980), laten zij hun held stralen als een kleurennegatief in een ontwikkelbad, waarbij het kleurenvlak zo plat is geschilderd dat het lijkt gespoten.

Maar wat met het voordeel van de terugblik het meest opvalt, is de humor waarmee deze generatie afrekent met de vorige generatie, en zichzelf zo in de geschiedenis parachuteert. Zo laat Erik Andriesse filmische dinosaurussen zweven voor een bedwelmende zee van hemelsblauw, een komische afrekening met de iconische colorfieldpainting. En Hugo Kaagman herstelt de eer van Escher, door zichzelf in een ganzenpatroon te sjabloneren, dat je tot daarvoor niet mooi mocht vinden, want te leeghoofdig en decoratief. We're here, laat Kaagman ten overvloede weten.

In Dordrecht hebben de makers ervoor gekozen de schilderijen voor zichzelf te laten spreken, slechts georkestreerd naar kleur en vorm. Dat is een gelukkige keuze. Want in deze vrolijke vlootschouw van het postmodernisme blijken ze niks aan vaart, kracht, kleur en plezier te hebben verloren.

undefined

Meer over