Niet likken aan de snoepjeshoed

De dragers aarzelen nog, maar voor de ontwerpers is de hoed weer helemaal terug. Vijfentwintig hedendaagse hoedenontwerpers exposeren in het Nijmeegse Museum Commanderie van Sint Jan....

De suppoosten zullen er een heidens karwei aan hebben. Niet alleen omdat je wel móet kijken met je vingers. Raak je die rose-geel-oranje badmuts niet aan, dan weet je nooit zeker of hij nu echt van snoepjes is gemaakt. En of die snoepjes hard zijn, of zacht als schuim (pas op het laatste moment bedenk je je: niet knijpen!) Net zoals je de hoed van tuinharken éven in je handen gehad moet hebben. Hoe zwaar is dat, zo'n krans van groene, ijzeren harken op je kop?

Maar die weetgierige vingers zijn nog niet het ergste voor de suppoosten. Rampzaliger is dat je alle hoeden ook het liefst op zou willen zetten, als in de Bijenkorf. Ze nodigen uit tot een grote verkleedpartij. Je zou de suppoosten willen vragen: 'Heeft u ook een spiegel?' Om te zien hoe die plastic bol van Irene Bussemaker staat. Het is een bol als een soort van vissenkom die je helemaal over je hoofd moet trekken, maar het is daarmee natuurlijk niet gezegd dat je er ook uitziet als een zielige goudvis. Misschien krijg je er wel iets heel mysterieus, onaards door.

Ook de Fuik van Suzan Wenke moet meteen op. Hij valt als een cocon om je heen, deint vast en zekerzacht op en neer wanneer je loopt. Alleen je benen steken eruit, als bij een half ontpopte rups. Hoofd en bovenlijf zijn gehuld in een zalig zijde-achtige stof. De wind kan er zachtjes doorheen ruisen. Jij ziet alles, en niemand ziet jou. Het is een hoed om in te wonen en nooit meer naar buiten te gaan.

Bij een aantal hoeden fantaseer je er de kleding meteen bij. De tuinharken-hoed zou het goed doen met iets leuks van grasmatten, de inktvis-achtige creatie die, met de tentakels naar beneden, glad over je hoofd valt, is gemaakt voor een nauwsluitende zeemeerminnenjurk. Bij de Golden Bronx van Bart Konter is het eenvoudiger: daarbij hoef je helemaal niets aan. Poedelnaakt, liefst van top tot bil gebruind, dat zou het mooiste zijn.

Bart Konter wilde 'terug naar de essentie van de hoed', zegt hij. Wat is een pet?, vroeg hij zich af. Een pet is een klep op je hoofd, meer niet. Daarom heeft hij de 'ultieme klep' ontworpen: een klep van goud. Die kun je met wat klei vastzetten op je hoofd. Het is een oerklep, die de farao niet had mistaan. In het museum levert Konter de klei erbij.

Maar met die klei kun je dus niet spelen, net zomin als je mag likken aan de snoepjeshoed, strippen met een gouden koningsklep op je hoofd, of fladderen in een cocon. In het museum mag helemaal niets. Afgelopen weekeinde zijn de hoeden er uitbundig geshowd, staande ovaties kregen ze, maar dat was eenmalig, een openingsact. Nu staan ze stijf op stokjes bij elkaar, schuifelt het publiek er stilletjes langs. In het museum is de hoed kunst geworden. Hoeden heten er ook geen hoeden. Ze heten draagsculpturen.

Ooit hadden alle dames van stand en alle kerkgangers een hoed. Maar met het verdwijnen van de dames en de kerkgangers, leek ook de hoed lange tijd uit beeld. Een hoed, dat was iets voor de koningin, of voor bruiden, niet iets voor jezelf. Pas de laatste jaren durven dames van nu weer - voorzichtig - slappe fluwelen hoeden te dragen, en hebben jongeren zich massaal bekeerd tot de basketbalpet.

Ook ontwerpers hebben de hoed 'herontdekt'. Hoewel hoedenmakers het vak nog steeds vaak in de praktijk leren, bij collega's, is er op kunst- en mode-academies duidelijk meer belangstelling dan voorheen. Hoedenmakers worden uitgenodigd workshops te geven, leerlingen studeren er in af. Galeries als Art & Casey in Rotterdam en Cappello in Nijmegen organiseren regelmatig exposities van eigentijdse ontwerpen.

Truus Stuiver, eigenaresse van Cappello, zag zoveel talent voorbijkomen dat ze de ontwerpers graag eens een serieuzer podium wilde bieden - in het museum dus. Zij kon 'moeiteloos' veertig tot vijftig professionele hoedenontwerpers in Nederland aanschrijven. Daarvan heeft ze er uiteindelijk 25 uitgekozen, allereerst op grond van hun 'beeldende kwaliteiten'. Van elke ontwerper worden een speciaal voor de expositie gemaakte 'museumhoed' en drie andere ontwerpen getoond. In Hoedengalerie Cappello is tegelijkertijd van elke museumhoed de 'draagbare variant' te zien en te koop.

Waar kleding altijd enige beperkingen oplevert - een broek kan niet anders dan twee pijpen hebben, in een blouse moeten ergens armgaten zitten -, lijkt de hoed voor de ontwerper onbegrensde mogelijkheden te bieden. Hij hoort op je hoofd, natuurlijk, maar hij kan ook om je hoofd, als een gezichtstent. Er kunnen ongelooflijk veel toeters en bellen op en aan: felgekleurde, vilten vormen die wulps openen als exotische bloemen (Mirjam Nuver); een ingenieus bouwwerk van stokjes die met dunne rode draadjes bij elkaar worden gehouden (Agnes Clijnk), of een zachtharig deksel met dambord-motief en kwastjes naast de oren (Renée Kalokira). Er is geen hoed die ook maar een beetje op een andere lijkt.

Dat je van dat hele feest met je vingers moet afblijven, kán overigens een positief effect hebben. Het is niet onmogelijk dat velen na het museumbezoek zo gefrustreerd zijn, dat ze meteen een hoed gaan kopen. Want Nederland mag dan goede ontwerpers hebben: in het dragen van hoeden zijn we aanmerkelijk slechter. Doe maar gewoon, enzovoorts. Alleen daarom al is het niet te hopen dat de moedeloos geworden suppoosten te vaak de andere kant op kijken.

Boven Maaiveld. Hedendaagse hoedenontwerpen. Nijmeegs Museum Commanderie van Sint Jan, tot en met 29 juni.

Hoedengalerie Cappello, Houtstraat 28 in Nijmegen, toont ook tot en met 29 juni de 'draagbare varianten'.

Meer over