Analyse

Niet-juristen krijgen het ministerie van Justitie in handen: ‘Dit was vroeger onvoorstelbaar’

Dilan Yeşilgöz staat de pers te woord na afloop van het gesprek met formateur Mark Rutte afgelopen maandag.  Beeld ANP
Dilan Yeşilgöz staat de pers te woord na afloop van het gesprek met formateur Mark Rutte afgelopen maandag.Beeld ANP

Rutte IV breekt radicaal met een traditie op het statige ministerie van Justitie: voor het eerst krijgen niet-juristen de politieke leiding in handen. De hoogste ambtenaar is ook al geen meester in de rechten meer. ‘Dit was vroeger onvoorstelbaar.’

Remco Meijer

Met de beoogde benoeming van Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) tot minister van Justitie en Veiligheid komt zowel de politieke als de ambtelijke leiding van het departement in handen van niet-juristen. Dat is niet eerder vertoond op dit ministerie dat van oudsher een bolwerk is van ‘juridische raspaarden’, zoals historicus en jurist Cees Fasseur ooit schreef, waar de kaders van de rechtsstaat worden vastgelegd.

De benoeming sluit aan bij de trend die de VVD van Mark Rutte in 2010 inzette om ‘veiligheid’ nevengeschikt te maken aan de klassieke opvatting over Justitie als de plek in Den Haag waar kennis over en het vervaardigen van gedegen wetgeving als het hoogste goed gelden. Justitie kreeg de politie erbij, tussen 2010 en 2017 was de naamgeving zelfs ‘Ministerie van Veiligheid en Justitie’.

Dat werd bij de vorming van Rutte III weliswaar weer omgedraaid en het CDA leverde de prominente advocaat en arbeidsjurist Ferd Grapperhaus als minister, maar anders dan voorheen waren zijn hoogste ambtenaren geen jurist meer. De huidige en vorige secretaris-generaal op het departement, Dick Schoof en zijn voorganger Siebe Riedstra, hebben geen juridische opleiding gevolgd. Een groot verschil met hun voorgangers onder wie juridische mastodonten zaten als Albert Mulder, Gerard van Dinter en Joris Demmink.

Bestuurskunde

Ook de tweede bewindsman die nu op het departement aantreedt, Franc Weerwind (D66) als minister voor Rechtsbescherming, is geen jurist. Hij studeerde bestuurskunde, net als zijn voorganger Sander Dekker (VVD), maar die was tenminste nog in het bezit van een propedeuse Nederlands recht. De nieuwe staatssecretaris, Eric van der Burg (VVD), is zelfs voortijdig gestopt als rechtenstudent. Het betekent ook dat de minister van Justitie in vergaderingen van de ministerraad niet langer het juridisch geweten kan zijn.

Is dat reden om de wenkbrauwen te fronsen? De genoemde topambtenaren beaamden eerder dat zij met een zekere argwaan werden ontvangen. Politicoloog Riedstra antwoordde bij zijn afscheid in 2020 op de vraag van de Volkskrant of hij er last van had gehad dat hij geen jurist was: ‘Men heeft het mij wel uitgelegd en ook laten voelen. Ook nu nog zijn er mensen die het heel erg vinden.’ Zijn opvolger, planoloog Schoof, zei vorig jaar desgevraagd: ‘Er waren mensen die zeiden: hoe kan dat in godsnaam, er moet hier gewoon een eminent jurist zitten.’

En nu is dus, afgezien van twee invalbeurten door eveneens niet-jurist Stef Blok, voor het eerst ook de minister geen jurist meer. Na Frits Korthals Altes, Ernst Hirsch-Ballin, Winnie Sorgdrager, Benk Korthals, Piet Hein Donner, Ivo Opstelten, Ard van der Steur en Grapperhaus krijgt nu Yeşilgöz de leiding over het departement. Zij studeerde sociaal-culturele wetenschappen aan de Vrije Universiteit. Juist op het onderwerp veiligheid kreeg zij in de vorige periode als Kamerlid profiel, met vele mediaoptredens waarin zij het law-and-order-gezicht (‘tuig aanpakken en keihard straffen’) van de VVD uitventte.

Vermaatschappelijking

‘De vermaatschappelijking van Justitie is al langer gaande’, zegt emeritus hoogleraar parlementaire geschiedenis Joop van den Berg. ‘Voor mij hoeft de minister dan ook geen jurist te zijn. De grootste problemen tegenwoordig zijn vraagstukken van veiligheid, ondermijning en fatsoenlijke behandeling van burgers. Dat zijn vooral bestuurlijke en politieke kwesties. Je moet wel ambtenaren hebben die vanuit hun expertise de juridische grenzen kennen en de bewindspersonen durven tegen te spreken, zodat zij geloofwaardige gesprekspartners blijven voor bijvoorbeeld de rechterlijke macht en burgemeesters.’

Ook hoogleraar staatsrecht Wim Voermans vindt dat de juridische kennis in het departement vooral verankerd moet zijn bij de ambtenaren. ‘De overheid is geen koekjesfabriek. Het rouleren van de ambtelijke top vind ik een groter risico dan een niet-jurist als bewindspersoon, ook al is het een unicum. Een jurist als minister is geen garantie dat er niets misgaat. Maar het is wel belangrijk dat de bewindslieden uitstralen dat zij staan voor de rechtsstaat, zeker op het gebied van de rechtsbescherming waar zij met veel maatschappelijke partijen van doen hebben.’

Professionals

De ontwikkeling binnen de hoogste leiding op het departement loopt parallel met de juridische kennis in de Tweede Kamer. Waar voor de oorlog minstens de helft van de Kamerleden jurist was, zijn dat er nu nog maar 25. Andere disciplines zijn belangrijker geworden, ook omdat de Kamer zelf steeds minder wetgeving is gaan maken. Yeşilgöz zei maandag na haar bezoek aan formateur Rutte: ‘Mijn taak is niet het werk van professionals over te doen.’

Auteur Marcel Verburg, die werkt aan een meerdelige reeks over de geschiedenis van het ministerie van Justitie, zegt dat het hem ‘moeilijk’ lijkt om als minister op Justitie geen jurist te zijn. ‘Neem Hirsch Ballin: die stuurde tot diep in de nacht zijn ambtenaren faxen met verbeteringen op hun voorstellen. Ook een secretaris-generaal als Demmink haalde overal fouten uit. Ik weet niet hoe juridisch deze nieuwe bewindslieden al denken, maar zij zullen toch eerder moeten afgaan op hun wetgevingsjuristen. Dat was vroeger onvoorstelbaar.’