Niet alle hulp is vanzelf goed

Het Rode Kruis signaleert dat hulporganisaties kampen met ethische dilemma's. Paul Hoebink stoort het dat slachtoffers en vluchtelingen weinig worden geactiveerd....

Paul Hoebink

Het Internationale Rode Kruis stelde deze week in zijn nieuwe World Disaster Report de ethische dilemma's achter en in de humanitaire hulp centraal. Het werd tijd dat dat debat wordt heropend, want hulporganisaties dreigen in oude fouten te vervallen.

De Afghaanse regering wordt overstroomd met voedselhulp. Het grootste deel van de hulp die vorig jaar werd toegezegd bestaat uit Amerikaans graan. Dat heeft men niet nodig, want er is geen nijpend voedseltekort, en bovendien dreigt dit graan de lokale voedselmarkt te ontwrichten.

Het Rode Kruis spreekt van een 'hulpinvasie'van internationale hulporganisaties met duizenden stafleden die veelal internationale salarissen ontvangen, waardoor de lokale arbeidsmarkt en huizenmarkt op hol wordt gebracht. Alleen al de Verenigde Naties hebben in Afghanistan zo'n 670 mensen in dienst die tot $ 10.000 per maand aan salaris ontvangen.

Als je slachtoffer wordt van een ramp of van een oorlog, kun je maar beter dichtbij Europa wonen, want dan komt de hulp redelijk snel en in grotere hoeveelheden. Als je de pech had slachtoffer van een ramp of oorlog te zijn in Tadzjikistan of Somalië ontving je gemiddeld minder dan tien dollar aan hulp. In voormalig Joegoslavië kreeg je als slachtoffer gemiddeld bijna twintig keer zoveel.

In het World Disaster Report, dat jaarlijks wordt uitgegeven, probeert het Internationale Rode Kruis de discussie over de ethiek van de hulpverlening bij rampen en in oorlogen open te breken. Bijna twintig jaar geleden wist het Zweedse Rode Kruis dat te bewerkstelligen door in een overzicht van rampen en hulpverlening scherpe kritiek te leveren op de manier waarop een aantal donoren met de noodhulp omgingen. Nu legt het Rode Kruis zijn vinger op een aantal ethische kwesties bij de humanitaire hulp.

Het eerste ethische dilemma dat zich mondiaal voordoet, draait om de vraag: voor welke ramp kiezen we? Natuurlijk is het voor een individuele hulporganisatie onmogelijk alle slachtoffers van rampen en oorlogen op deze aardbol van voedsel, kleding en medische zorg te voorzien. Maar meer dan ooit lijkt de hulpverlening bepaald te worden door de veiligheidsoverwegingen van de Westerse mogendheden en, in geringe mate, door de media-aandacht die een ramp krijgt. Niet de behoefte, de omvang van de nood, is bepalend. Het blijkt vrij gemakkelijk op korte termijn grote sommen geld bijeen te krijgen voor Afghanistan of Irak, voor de honger in Afrika is het momenteel veel moeilijker.

Het komt erop neer dat de hulporganisaties geen of nauwelijks aan needs assessment doen. Noch de middelen, noch het type hulp worden tevoren precies vastgesteld. Vaak ontbreekt het aan politieke wil, soms aan het inzicht en de middelen, soms aan het organisatorisch belang. Als de individuele organisaties de behoefte aan humanitaire hulp al niet vaststellen, dan is het duidelijk dat de mondiale coördinatie hier helemaal achterwege blijft. In feite zien we hier de uitholling van de gespecialiseerde organisaties van de VN, die links en rechts gepasseerd worden door de grote mogendheden.

Een tweede en ouder dilemma draait rond de vraag: tot wanneer moet en mag je blijven helpen? Kun je nog humanitaire hulp geven als het regime je hulp misbruikt of als in de kampen waar je hulp geeft gewapende extremisten actief zijn? Eén van de meest schrijnende voorbeelden hier was het misbruik dat Hutu-extremisten maakten van de vluchtelingenkampen in Oost-Zaïre. Mag of moet je dan de slachtoffers in de steek laten? Dit is zondermeer het moeilijkste dilemma. Er is nauwelijks een antwoord op te geven. Hoogstens kan men hier een pleidooi houden, zoals het Rode Kruis doet, voor een praktische afweging gepaard gaande met en het vasthouden aan het pluralisme in de humanitaire hulpverlening.

Hoe gaan we helpen? Dat is de derde belangrijke ethische kwestie. Het Zweedse Rode Kruis stelde in het oude rapport al aan de kaak dat hulporganisaties bij rampen teveel met een standaardpakket aan hulpgoederen in de vorm van voedsel, dekens en tenten kwamen. In het slechtste geval met afgedankte medicijnen en vermageringspillen. Het Internationale Rode Kruis noemt nu Afghanistan als voorbeeld. Onderbelicht blijven in het rapport de belangen van de internationale hulporganisaties, waaronder het Rode Kruis, zelf. Hulporganisaties bestaan op grond van de humanitaire nood. Maar hoe groot is die? In het verleden zijn zij bekritiseerd, omdat zij humanitaire rampen 'groter'maakten dan zij in werkelijkheid waren. In Afghanistan bijvoorbeeld groeide het aantal mensen dat hulp nodig zou hebben na 11 september in enkele weken tijd van 3,5 naar negen miljoen. De organisaties zoeken ook emplooi voor hun personeel. Is uitzending daarvan altijd werkelijk nodig? Is ook het uitzenden van mensen onderdeel van dat standaardpakket? Gaat dat niet ten koste van lokale organisaties die men eigenlijk zou moeten inschakelen?De vraag 'Hoe moeten we hulp geven?' is ook verbonden met de plaats die de slachtoffers krijgen in de hulpverlening. Slachtoffers van rampen en oorlogen worden vaak samengedreven en in de passieve rol van hulpontvanger gedwongen. Verschillende conferenties hebben een veel actiever deelname van vluchtelingen in de hulpprogramma's bepleit, om hen van slachtoffers actieve mensen te maken of actief te houden, om de betutteling van hulpverleners te beperken. Nog steeds zien we daar zeer weinig verbetering in. Programma's of projecten voor participatie van vluchtelingen zijn er te weinig en krijgen weinig steun. Het kost het Rode Kruis moeite om daarvoor oplossingen aan te dragen.

Toch overheerst waardering voor dit rapport. Het Rode Kruis toont aan de hand van een serie recente voorbeelden dat 'de principes van de hulpagenda verdwijnen'. Alleen al daarom is het goed dat het debat heropend wordt. Sinds 1994 ligt er een Gedragscode voor Humanitaire Hulp ondertekend door 227 hulporganisaties. Terecht stelt het Rode Kruis dat die code een te geringe rol speelt. Daarenboven zou een einde gemaakt moeten worden aan de erosie van de taken van de Verenigde Naties op dit terrein.

Het is te hopen dat het opnieuw op gang gebrachte debat daarin verandering kan brengen.

Meer over