Niemand wist waarom, we moesten gewoon superhard lachen

Peter Buwalda
Archiefbeeld van een broodje hagelslag. Beeld Marcel van den Bergh / de Volkskrant
Archiefbeeld van een broodje hagelslag.Beeld Marcel van den Bergh / de Volkskrant

Het wachten is op e-mail waarmee je jezelf kunt versturen van A naar B, als een attachment. Aan de bak, WeTransfer, zo moeilijk kan het niet zijn. Bel Victor Mids. Doe iets.

Tot die tijd zijn we overgeleverd aan de NS. Ik ben geen liefhebber. De builenpest met de trein is dat oude bekenden ook mee mogen. En oude bekenden hebben de neiging opgetogen tegenover je neer te ploffen. Gezien de aard van het vervoermiddel zit er niks anders op dan bij te praten, een gespreksvorm die meestal snel opdroogt, zodat je nog geruime tijd naar elkaars broodmolen kan gaan zitten turen.

Hou dat woord even vast, lezer: broodmolen.

Welnu, de oude bekende van dienst leek het leuk te vinden mij weer eens te spreken. Ik verbond daar geen conclusies aan. Van de buitenkant leek ik het namelijk ook heel leuk te vinden! De wetten der wellevendheid, je kunt niet na twintig jaar tegen iemand zeggen: 'Godverdomme, nee hè, niet jij. Niet nu. Kun je niet uitstappen? Ik wilde net lekker gaan lezen.'

Na enig bijpraatwerk vroeg hij: 'Weet je nog die ene keer, bij jullie thuis? Tussen de middag, toen we zo keihard hebben gelachen?'

Ik lach niet vaak keihard. Mensen die vaak keihard lachen moeten we wantrouwen, zie Gerrit Zalm. Maar inderdaad, de keer dat de oude bekende bij ons thuis een boterhammetje had meegegeten, hadden wij, ons gezinnetje, en de oude bekende werkelijk snoeihard gelachen. Zo hard dat we er ten slotte halfdood bij hingen, smekend om genade.

'Dat was zo ontzettend leuk', genoot de oude bekende na. (We hebben het over een lunch van 32 jaar geleden, mensen.) 'Vooral omdat niemand wist waaróm. We moesten gewoon superhard lachen!'

Hier maakte de oude bekende een taxatiefout. Behalve Mark Rutte lacht niemand zómaar. Feitelijk was de oude bekende de enige aan tafel die niet begreep 'waaróm'. Wij vonden de oude bekende tot dan toe namelijk een tamelijk gewoon jongetje, alleen hadden we hem nog nooit zien eten.

Dat ging zo. Eerst belegde hij zijn boterhammen met een laag margarine van de Bona en een pond pure hagelslag. 'Geen kale plekken op de hei', noemde mijn moeder deze aanpak, maar nu zweeg ze zedig.

Smakken? Smakken was het woord niet. Teringjantje, zeg. De oude bekende trok zijn mond bij elke kauwbeweging werkelijk wagenwijd open, mes en vork rechtop in zijn knuistjes, onderwijl rondkijkend. Er kon om de seconde, hup, een hardgekookt ei bij, slecht idee overigens, want het was al zo'n blubberige, zuigende bende in het grote, draderige gat waar we naar zaten te kijken en te luisteren.

We zwegen - totdat mijn oudste broertje om de hagelslag vroeg. 'Mag ik de ha... ha...', zei Menno. Hij concentreerde zich op een punt in verte. 'Mag ik de ha... de ha... ha... há... há... de hágels... de háháhágelslag?'

Geen houden aan, natuurlijk. Binnen een minuut zaten we allemaal te bulderen als beesten. De oude bekende ook. Hij vond het leuk, bij ons. Hij schaterde het uit, harder dan wij, waardoor zijn hagelslag-met-Bona-mond nog verder openging, echt heel erg ver, lezer. Er kon inmiddels een complete handsinaasappel in, ongepeld, van het type navel. Waardoor wij nóg harder moesten lachen, en hij nóg weer harder! Enzovoort!

Meer over