NET ECHT

Een vierhoekig picknickmandje, een trapezium met zwartkantmotief, een bruin korfje - 'cheap' kunnen de Amerikaanse damestasjes uit de jaren vijftig nauwelijks worden genoemd....

Door Nicoline Baartman

Eindeloos optimistisch, frivool, behaagzuchtig en opgewekt waren de jaren vijftig - althans in het eenzijdige, zoetig ingekleurde retrospectief dat die periode steevast aanduidt met fifties. Het zijn niet onze jaren vijftig waarnaar die term verwijst, het zijn geromantiseerde jaren vijftig: hooguit de fifties van de Amerikanen, die als overwinnaar en op veilige afstand van Europa (relatief) ongeschonden uit de Tweede Wereldoorlog waren gekomen; zij konden zich meteen en met volle overgave op de toekomst storten die hier nog wel een tijdje in het verschiet bleef liggen.

Futurisme werd er werkelijkheid, en het lijkt wel, met de blik van die roze fiftiesbril, van de ene op de andere dag. De toekomst drong binnen in het huiselijk leven van de gewone burger, die ineens massaconsument was geworden, in de gedaante van bubblegum en nylonkousen, Tupperware en instantpudding, en kersverse inzichten als: gemak dient de mens, en luxe is niet alleen voor rijkelui weggelegd. In die sfeer van voortdurende hunkering naar opsmuk en niets is te dol kwam de dameshandtas van lucite (polymethylmethacrylaat) op de markt.

De ontdekking van plastic was sowieso van onschatbare waarde gebleken voor een samenleving die liever nog vandaag dan morgen vooruit wilde, en in alle opzichten graag. Bovendien hadden industriële vormgevers in de jaren dertig en veertig de toon gezet voor een kneedbaar, steeds meer gestroomlijnd design.

Eerst had je bakeliet, de vinding van Leo Baekeland aan het begin van de nieuwe eeuw, dat als vloeibare substantie in een vorm werd gegoten en tot stollen gebracht. Het kwam tot zijn recht in huishoudelijke apparaten, maar drukte ook een stempel op de sieradenmode - met dank aan Coco Chanel - die daarvóór exclusief van dure edelmetalen of natuursteen waren gemaakt. Maar allengs raakte het door de opmars van moderne plastics, die om te beginnen lichter en buigzamer waren, in onbruik.

Nog in het najaar van 1939 deed The National Geographic Magazine met opperste verwondering verslag van een New Yorkse modeshow, waarin een model was aangekleed met louter kunstmatige materialen. 'Ze draagt geen zijde, wol, linnen katoen of leer - geen jade, ivoor of parels. Alles is synthetisch. Van cellofaan hoed, rayon jurk en handschoenen tot aan een handtas met ''Lucite'' plastic frame is haar outfit geheel en al afkomstig uit het laboratorium.'

Acht jaar eerder had de firma DuPont 'Lucite' ontdekt en geregistreerd, het was een van de eerste plastics op petrochemische basis. Concurrent Rohm & Haas Chemical Company kwam er gelijktijdig mee - onder de, voor ons bekendere, merknaam Plexiglas. Verfijning vond plaats in de oorlogsindustrie, waar de nieuwe, sterke, doorzichtige kunststof onder meer werd ingezet bij de afwerking van gevechtsvliegtuigen.

Een lichtzinnig residu van de oorlogsindustrie, dat is het damestasje van lucite - plexiglas of perspex - óók. Toch waren deze dingetjes allerminst cheap. Ze waren exclusief, begerenswaardig, bij de tijd - en duur. Rond de vijftig dollar betaalde je al gauw, de duurdere kostten wel zeventig.

Het was een tas om zuinig op te zijn, eentje om te bewonderen en te koesteren, een zondagse tas, een tas voor speciale gelegenheden, die aanvankelijk zeker niet door alle Betty's en Jane's werd gedragen. Wellicht dat ze daarom veelal in zo goede staat bewaard zijn gebleven; in kringen van verzamelaars (en handelaars) wordt daar in elk geval verzaligd over opgegeven. Terwijl ze toch zo kwetsbaar zijn, een kras zit er zo op, en uitkijken, niet laten vallen! Om over de invloed van zon en warmte nog maar te zwijgen. Don't fry that handbag! heet het onder het hoofdstuk 'Storing Your Handbag' op een behulpzame internetsite. (Hoewel: er zijn er die beweren dat je breuken en scheuren kunt wegmoffelen met behoedzame hulp van 'een oven, föhn of zelfs magnetron'.)

In de Kunsthal in Rotterdam, waar dezer dagen een particuliere collectie wordt getoond (in glazen vitrines achterin het auditorium), vind je mooie voorbeelden, van ronduit crazy of wuft tot streng-sober design. Maar veel informatie krijg je er niet bij, en daar is ook alle reden toe: als cultuur-historisch fenomeen kent Het Amerikaanse Plastic Damestasje Uit De Jaren Vijftig nog geen grote onderzoekstraditie. En de paar standaardwerken die er zijn - A Certain Style: The Art of the Plastic Handbag, 1949-59 (1988) van de New Yorkse kunstcriticus Robert Gottlieb, zelf een verwoed verzamelaar, of Plastic Handbags - Sculpture to Wear van Kate E. Dooner uit 1992 - zijn moeilijk verkrijgbaar.

Een roomwit bolletje, dat bevallig op haar zij is gelegd; een goudgevlochten vierhoekig minipicknickmandje met effen zwarte deksel en roodbruin handvat; een trapezium met ingebakken zwartkantmotief; of een achthoekig bruin korfje waarvan de vorm als naaimandje én als gereedschapskist school heeft gemaakt: sculptuurtjes voor de pronk, om in huis ten toon te stellen, zijn het mettertijd geworden - je moet er nu honderden dollars voor neertellen. Erfgoed van een blije tijd, dat vernuftig handwerk combineert met grappen en grollen op de vierkante decimeter. Het zijn reminders van een heel korte periode waarin plastic nog niet de betekenis had van wegwerp, namaak en waardeloos; en dan laten we nare associaties die het milieu betreffen nog buiten beschouwing.

Namaak - daar was het allemaal wél om begonnen. Voor een buitenissige tas van been, krokodillen- of schildpadhuid, ivoor of schelp, betaalde je helemaal een vermogen; natuurlijke 'plastieken' waren niet zomaar overal beschikbaar. Vandaar dat plastic in het begin vooral om zijn imitatietalent werd gewaardeerd: het doorzichtige lucite of plexiglas bleek zich heel goed te lenen voor inkleuring en uiteenlopende materiaal-effecten. Het vlammende van hout, de zweemglans van parelmoer, de schittering van diamant en de matte flonkering van parels - het kwam tot leven in het kameleontische goedje uit het chemisch laboratorium.

Net echt, dat was aanvankelijk de kick van de damestasjes die voortborduurden op de vormgeving en materialen van bijvoorbeeld de art-deco; korfjes, boxjes, kistjes waren in. Maar gevoeglijk werd plastic een zelfstandige aanbeveling: het plastic damestasje was gewild om zijn authentieke zelf; kijk, van plastic, kon je triomfantelijk horen. En in een paar toonaangevende ateliers, vooral in Miami en New York, werden de mogelijkheden ervan tot in de finesses en op de kleinste details onderzocht en uitgevoerd, en uiteindelijk ad absurdum.

Topmerken Llewellyn, Wilardy, Dorset-Rex, Charles S. Kahn of Rialto hadden allemaal zo hun eigen stijl en gimmicks. Elke tas werd met de hand afgewerkt: met gutsen en steken werden motieven in het platte vlak aangebracht; handgrepen kregen uitkervingen, ribbels en draaiingen. En ook in het metaalbeslag, dat fraaie sluitmechaniekjes, bevestigingspunten voor enkel of dubbel hengsel, voetjes en bolletjes om op te staan, of pure versiering behelste, leefden de vormgevers zich uit. En voor de uitwisseling van branche-eigen zaken had je het vakblad Handbag and Accessory Magazine.

Een grillig patroon van glitterstreepjes, gouden sterretjes of zilverconfetti in het wonderlijke kunststof meegeklutst - ook daarvan zie je in de Kunsthal exemplaren. Of, erg mooi, compleet transparante: de lol daarvan was dat je 'm óf 'inrichtte' met poederdoos, lipstick en zonnebril die niet alleen toonbaar waren maar ook leuk met elkaar combineerden, óf dat je je spulletjes verstopte in een sjaaltje dat vanzelfsprekend ook weer op de rest van de outfit was afgestemd.

Maar het duurde niet lang, of het authentieke Amerikaanse plastic damestasje werd zo'n rage dat ook highschoolmeisjes, kantoorjuffies en moeders er eentje wilden, of twee. Toen was het hek van de dam: terwijl de topmerken elkaar de loef afstaken in steeds wildere ideeën en krankzinnige details (met aanplakparels en andere facultatieve extraatjes à la Barbie, of lichtgevend, handig voor in het theater), kwam er een golf aan inferieur spul op de markt, niet langer handgemaakt maar van de lopende band, voor een paar dollar het stuk.

Tegen 1960 was het gedaan, ook de topateliers stopten met produceren en assembleren. De lol was eraf: aan de ene kant van het spectrum waren de tasjes te excentriek geworden, aan de andere kant waren ze niet exclusief genoeg, maar nep - hoewel het verschil niet onmiddellijk zichtbaar was. Bovendien was plastic as such intussen danig gedevalueerd.

Voor kenners moet het onderscheid tussen echt en namaak niettemin glashelder zijn; niet alleen is het materiaal zwaarder van de authentieke variant, hij is ook veel beter afgewerkt. En bij twijfel is er altijd nog de belofte van het moment waarop je de tas voor het eerst openknipt. Dan vind je, met een beetje geluk, een mooi labeltje. Bedrukt met een lief palmpje (Patricia of Miami), of ferm: Charles S. Kuhn Inc. Miami Florida U.S.A. Om zeker te zijn.

Meer over