Neem de moltrein naar de kuier

Veel mensen denken dat het Afrikaans een soort Nederlands is. Maar de taal van de Boeren is te afwijkend. Er is nu een woordenboek dat de herkomst van duizenden Afrikaander woorden beschrijft: van 'soldoedi' bijvoorbeeld, en 'prikkelpop'....

Als taalkundigen het imago van het Nederlands een beetje willen oppompen, mogen ze graag de sprekers van het Afrikaans op één hoop gooien met alledaagser Nederlandstaligen. Het Nederlandse taalgebied is helemaal zo klein niet, is dan de boodschap. Want behalve Nederlanders, Vlamingen, Surinamers en Antillianen, is er ook nog deze, enigszins op de achtergrond geraakte groep van 6,3 miljoen blanke en bruine mensen in Zuid-Afrika die een op het Nederlands geënte taal spreken. Plus nog een fors aantal voor wie het Afrikaans de officiële voertaal is naast zijn eigen stamtaal.

Dus toen Afrikaanse lexicografen in 1995 zochten naar geld en kennis om een gebruikersvriendelijk etymologisch woordenboek te kunnen schrijven, droegen de Nederlandse Taalunie en het Instituut voor Nederlandse Lexicologie graag een steentje bij. In wat gerust een recordtempo mag heten voor een project als dit, werd het Etimologiewoordeboek van Afrikaans (EWA) geschreven.

Vorige week bracht initiatiefnemer dr. Dirk van Schalkwijk een bezoek aan Nederland om het boek officieel te presenteren. Zo'n achtduizend lemma's tellen het woordenboek en de tegelijk uitgebrachte cd-rom. Uit het boek vallen onder andere de resten te destilleren die het Nederlands achterliet in het Afrikaans.

Het Nederlands kreeg in Zuid-Afrika vaste grond onder de voeten toen Jan van Riebeeck in 1652 een zogeheten verversingspost stichtte op Kaap de Goede Hoop. Van Schalkwijk vertelt dat hij zelf direct afstamt van het dubieuze, drinkende en hoererende volkje dat Van Riebeeck naar Zuid-Afrika volgde, bestaande uit de 'schalken en knechten'.

Uit zowel het woordenboek als uit het taalgebruik van Van Schalkwijk blijkt echter dat het hedendaagse Afrikaans qua woordenschat en grammatica te ver weg staat van onze moerstaal om ermee over één kam geschoren te worden. De overeenkomst doet denken aan de combinatie van bijvoorbeeld Deens en Noors. De sprekers daarvan kunnen elkaar met enige moeite verstaan, zonder dat ze dezelfde taal spreken.

Het hedendaagse Afrikaans is een ver afgedwaalde nakomeling van het 17de en 18de-eeuwse Nederlands, zoals het huidige Nederlands daarvan via een andere route ook een nazaat is. Maar aangezien in de 17de eeuw Vlaanderen en de zuidelijke provincies hoger in aanzien stonden dan Holland en de noordelijke provincies, leunt het Afrikaans aan tegen het toenmalige zuidelijke Nederlands, terwijl de hedendaagse Nederlandse standaardtaal wortelt in het nadien dominant geworden Hollands. Afrikaanse woorden als 'krank' voor 'ziek', en 'suutjies' voor 'stilletjes' kent het zuidelijke Nederlands tot de dag van vandaag nog wel, terwijl ze in de noordelijke provincies als verouderd worden beschouwd.

Ook in zijn klanken toont het Afrikaans lokaal nog resten die uit het hedendaags Nederlands allang zijn verdwenen. Om zulke taalresten te traceren, trokken Afrikaanse taalkundigen de afgelegen gebieden in. In relatief isolement blijven allerlei taalvariteiten en dialecten namelijk veel meer intact dan wanneer er intensieve uitwisseling is met sprekers van verwante talen.

Zo zeggen sommige Afrikanen in geïsoleerde streken nog altijd 'huus' in plaats van 'huis', 'konien' in plaats van 'konijn', 'murg' in plaats van 'merg', en 'kneukels' in plaats van 'knokkels'. De verschuivingen die die klinkers in het Nederlands hebben gemaakt, is tot die Afrikanen dus nooit doorgedrongen.

Etymologie, het traceren en omschrijven van de herkomst en ontstaansgeschiedenis van woorden, is een vak apart. En er waren geen Afrikaanse taalkundigen die het beheersten op het moment dat het EWA-project van start ging. Van Schalkwijk zelf is geen etymoloog, maar woordenboekenschrijver, hoofdredacteur van het nog onvoltooide volumineuze Afrikaanse woordenboek. Daarom haalde hij prof. dr. Fons Moerdijk een aantal keer naar Zuid-Afrika. Moerdijk was hoofdredacteur van het in 1998 voltooide Woordenboek der Nederlandsche Taal, en hij is hoogleraar lexicografie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij leidde de Afrikaanse taalkundigen op die het etymologisch woordenboek maakten.

Moerdijk heeft ernaar gestreefd een woordenboek te laten schrijven dat vooral bruikbaar zou zijn voor de geïnteresseerde leek, dus niet alleen toegankelijk voor taalkundigen. Daarom, legt hij uit, ligt in het EWA de nadruk op zogeheten 'directe etymologie'. Hij geeft een voorbeeld; het Afrikaanse 'sooi' komt direct van het Nederlandse (gras)'zode'. De grondvorm van 'sooi' is echter het Indo-Germaanse 'seu', dat 'vocht, sap' betekent, en waarvan ook het Duitse 'Sode' en het Engelse 'sod' zijn afgeleid. Dat graven in het verleden reikt menig leek echter te ver. Vandaar dat de directe etymologie in het EWA de boventoon voert.

Moerdijk merkt op dat veel Afrikaanse woorden misschien Nederlands lijken, maar dat ze via een omweg afkomstig zijn uit andere talen. Neem het 20ste-eeuwse 'kroegvlieg' als vertaling van het Engelse 'barfly', en 'prikkelpop' naar 'pin up-girl'. Op die manier komen er al eeuwen leenwoorden uit andere talen via het Nederlands het Afrikaans binnen. Zo kent het Afrikaans het woord 'mardyker' voor een vrije burger, een woord dat teruggaat op het Maleische 'merdeka' voor 'vrij'.

Moerdijk attendeert ook op woorden die behalve hun oorspronkelijke Nederlandse betekenis nog een nieuwe, alleen in het Afrikaans gebruikte nieuwe betekenis hebben gekregen. Zo verbaast hij zich over het Afrikaanse woord 'afval'. Dat betekent niet alleen 'overtollig voedsel dat weggegooid wordt', het is ook de naam van een gerecht dat als lekkernij bekend staat, en waarin kop, pootjes en pens zijn verwerkt. Het werkwoord 'kuier' voor 'rustig wandelen', kent in het Afrikaans ook de betekenissen 'op bezoek gaan, logeren', en 'fuif'. Nederlanders doen het Afrikaans dus te kort door het te annexeren als een veredelde variant op het Nederlands.

Meer over