Nederlandse politiek leidt soms tot glazige blikken

DE NIEUWE Amerikaanse ambassadeur in Nederland, Clifford Sobel, fietst naar eigen zeggen graag door de duinen. Daarachter ligt, naar een bekend lied, de mooie stad Den Haag, waar fietsende diplomaten evenwel dubbel op hun hoede moeten zijn....

De minste of geringste rimpeling in de Amerikaans-Nederland betrekkingen leidt in Den Haag tot (over)gevoelige reacties. De debuterende diplomaat, tot voor kort zakenman, legde deze week een openhartigheid aan de dag die hem niet in dank werd afgenomen. Sobel sprak over een 'voorbehoud' dat Nederland had gemaakt bij de eventuele inzet van F 16-vliegtuigen in de strijd tegen het terrorisme. Nederland wilde niet meedoen aan bombardementen op Afghanistan, maar de toestellen wel inzetten voor verkenningsvluchten, zo had Sobel begrepen.

De ministers De Grave van Defensie en Van Aartsen van Buitenlandse Zaken hebben nooit iets losgelaten over het verloop van besprekingen tussen Nederlandse en Amerikaanse militairen, die vooraf gingen aan het kabinetsbesluit over de inzet van mankracht en materieel.

Ambassadeur Sobel doorbrak de stilte, hetgeen hem kwam te staan op een onverwacht bezoek aan minister Van Aartsen. De bewindsman wil het woord 'ontbieden' niet gebruiken; die term heeft een zware lading. Maar het was wel een ongebruikelijke uitnodiging.

Was het ditmaal de beurt aan Van Aartsen om de wenkbrauwen te fronsen, de afgelopen maanden waren het de Amerikanen die vragen hadden over de houding van Nederland. Binnen de NAVO leidde die tot twee keer toe tot enige wrevel bij de Amerikanen. In hun strijd tegen het terrorisme eisen ze onvoorwaardelijke solidariteit van hun bondgenoten, al trokken ze op eigen houtje ten strijde.

Het verhaal is bekend: daags na de aanslagen in New York en Washington grepen de Verenigde Staten naar het nimmer door de NAVO gebruikte artikel 5 uit het oprichtingsverdrag van het bondgenootschap ('een aanval op één is een aanval op allen'). Nederland aarzelde iets te lang met instemming, vonden de Amerikanen. Toen dat later uitlekte, deden diplomaten aan weerszijden van de Atlantische Oceaan grote moeite om de onmin te bagatelliseren.

Minder bekend is de toedracht van een tweede pijnlijk moment voor Nederland. Begin oktober gaf een Amerikaanse topfunctionaris de ambassadeurs van de NAVO-lidstaten informatie over de betrokkenheid van Bin Laden bij de aanslagen in de VS. Dat was het moment waarop artikel 5 van kracht moest worden. Nederland wilde enige bedenktijd, maar Washington noch NAVO-chef Robertson was bereid daaraan toe te geven.

Nederland had nauwelijks bedenkingen tegende bewijslast tegen Bin Laden. Het argument van Nederlandse zijde luidde dat er nog even met Den Haag gebeld diende te worden, omdat het kabinet daar een brede politieke meerderheid voor 'de oorlog' in stand moet houden. Premier Kok had de overige leden van het kabinet willen raadplegen en zo mogelijk ook nog de fractieleiders van de coalitiepartijen. Op de meningen van Melkert en andere fractieleiders zat men in Brussel, letterlijk, niet te wachten. Het incident eindigde zoals het vorige: diplomaten stelden dat er geen sprake was van een verstoorde verstandhouding.

Feit blijft dat Kok, anders dan de veldheren Bush en Blair, in eigen land niet quasi-almachtig is. Downing Street 10 of het Witte Huis is het Torentje niet. De Amerikaan Sobel zal zich ongetwijfeld gaan verdiepen in het verschijnsel coalitieregering, en de politieke gevoeligheden die daaraan inherent zijn.

Of hij alle finesses van de Nederlandse politiek zal leren begrijpen, staat te bezien. Oud-minister Van Mierlo moest in de jaren tachtig eens zijn NAVO-collega's van Defensie uitleggen wat een demissionair kabinet is. Na afloop vertelde hij dat de bewindslieden hem glazig hadden aangekeken en enigszins meewarig luisterden. Van Mierlo had niet de indruk dat hij alom begrip oogstte.

Meer over