Nederlandse joden hadden minder kans dan Duitse

IEDEREEN WEET het nu wel, en wie het nog niet wist, heeft het misschien uit Grijs verleden van Chris van der Heijden opgestoken: wij waren niet goed in de oorlog....

Het lijkt een logische vaststelling, maar het is een grove simplificatie van een ingewikkeld probleem, dat de 'Nederlandse paradox' heet: hoe is het te verklaren dat in een land waar noch de bevolking noch de overheid erg antisemitisch was, zoveel joodse slachtoffers zijn gevallen, veel meer dan in Frankrijk, waar jodenhaat gebruikelijker was dan in Nederland en waar het inheems regime maar al te graag bereid was aan antisemitische maatregelen mee te werken?

Al enige jaren buigt een groep merendeels jonge historici en sociologen zich over een oplossing van dit probleem. De geschiedkundigen in het gezelschap, Ron Zeller en Pim Griffioen, zoeken het antwoord in een systematische vergelijking van de jodenvervolging in Nederland, België en Frankrijk. De sociologen volgen een andere aanpak: zij vergelijken niet landen - want, zeggen zij, daar zijn er te weinig van om statistisch significante uitkomsten op te leveren - maar Nederlandse gemeenten. Ook tussen die gemeenten bestaan namelijk grote verschillen in overlevingspercentages.

Door die plaatselijke verschillen af te zetten tegen mogelijke verklarende factoren als de omvang van het verzet, de aanwezigheid van een 'foute' burgemeester of de samenstelling van de joodse gemeenschap, hopen zij inzichten te verwerven die aan een verklaring van de internationale verschillen kunnen bijdragen. De voorlopige uitkomst is dat wat toeval leek te zijn, het niet was.

Het boek waarin dat te lezen valt, is niet iets voor op het nachtkastje - daarvoor schrijven met name de sociologen te veel proza van trilbeton - maar het biedt de lezer wel een fascinerende aanblik van van intellectueel work in progress. Werk dat resultaten oplevert.

In een van de artikelen wordt bijvoorbeeld gekeken naar het verband tussen jodenvervolging en verzet in Overijssel. Die provincie werd gekozen omdat het verzet aldaar nauwkeurig in kaart is gebracht door de historicus Coen Hilbrink. De ironie wil dat deze Hilbrink zich fel tegen statistische analyse heeft uitgesproken, omdat die zijns inziens niets oplevert. Hij krijgt ongelijk: wanneer de overlevingscijfers van de Overijsselse joodse gemeenten worden vergeleken met de omvang van het lokale verzet, komt de computer met een statistisch significante, en verrassende uitkomst: in gemeenten met veel verzetsmensen was de overlevingskans van de joden niet groter.

Een andere cijferexercitie bekijkt of gemeenten met een NSB-burgemeester sneller waren met het uitvoeren van de verplichte registratie van de joden. Dat blijkt, wederom verrassend, niet het geval. Voor een punctuele naleving van de Duitse bevelen was een NSB-baas niet nodig. Ook blijkt de overlevingskans van joden uit gemeenten met een NSB-burgemeester niet lager dan die van anderen - sterker nog; naarmate een NSB-bestuur langer zit, neemt de overlevingskans van lokale joden toe.

De omvang van het lokale verzet of de verdorvenheid van de burgemeester maakten dus geen verschil voor het lot van de plaatselijke joden. Dat zijn opmerkelijke uitkomsten, die des te fascinerender zijn, omdat ze cijfermatig zo goed zijn onderbouwd. Maar of ze ons dichter bij de oplossing van de Nederlandse paradox brengen, blijft de vraag.

Het meer traditionele historische handwerk van Griffioen en Zeller die de organisatie van de deportaties in Nederland en Frankrijk vergelijken, lijkt vooralsnog vruchtbaarder. Zij maken namelijk aannemelijk dat het verschil tussen het Franse en het Nederlandse deportatieapparaat niet schuilt, zoals wel is aangenomen, in de beschikbaarheid van treinen of de capaciteit van de doorgangskampen, maar in de samenwerking tussen het Duitse en het inheemse bestuur.

Het Franse Vichy-bestuur, toonbeeld van een collaborerend regime, werkte aanvankelijk enthousiast mee aan het uitvoeren en zelfs bedenken van antisemitische maatregelen; ontrechten, onteigenen, deporteren van buitenlandse joden, ze had er geen enkel bezwaar tegen. Maar het op transport stellen van Franse joden ging Vichy te ver. Toen dat aan de orde kwam, zette men de hakken in het zand. De Duitsers wilden de verhoudingen niet op scherp zetten en vooral de economische bijdrage van Frankrijk aan de oorlogvoering niet in gevaar brengen. Daarom namen de deportaties uit Frankrijk geruime tijd af.

Vanuit Nederland rolden de deportatietreinen ondertussen elke week naar Auschwitz of Sobibor. Het Nederlands bestuur vond dat verschrikkelijk; het had vanaf het begin tegen antisemitische maatregelen geprotesteerd. Toen secretaris-generaal Frederiks was gevraagd wat hij zou doen als de Duitsers de Nederlandse joden zouden deporteren, antwoordde hij dat hij en zijn collega's dan zouden aftreden.

Maar toen het zover was, deden ze dat niet. In het belang van het land, vonden zij, moesten ze blijven zitten. Ze legden zich neer bij wat hun onvermijdelijk toescheen, op voorwaarde dat ze zelf geen verantwoordelijkheid droegen. De bevelen dienden uit te gaan van de Duitse instanties. Deze 'tweeslachtige houding van moralisme en formalisme', zoals de politicoloog Guus Meershoek het noemt, kwam overal in het Nederlandse overheidsapparaat voor.

De auteurs merken het niet op, maar deze observaties passen wonderwel in een verklaring van de Nederlandse paradox: juist omdat de Franse overheid antisemitisch was, dus bereid tot medewerking, hield ze een vinger in de pap, en kon ze de vervolging remmen. De Nederlandse overheid daarentegen, die iedere discriminatie afkeurde, distantieerde zich formeel van de vervolging, zonder de uitvoering te hinderen, en verloor ondertussen alle invloed.

Wij waren niet goed in de oorlog. Nederlandse joden hadden zelfs minder kans om te overleven dan Duitse. Het is allebei waar, maar of het veel met elkaar te maken heeft, is vooralsnog ongewis. Het laatste woord is er - in de wetenschap - nog niet over gezegd.

Meer over