‘Nederlands onderwijs moeilijk te vergelijken met buitenland’

Door OESO uitgevoerde PISA- steekproef is in Nederland niet erg betrouwbaar...

Van onze verslaggever Gerard Reijn

amsterdam ‘Aan de relatief goede positie van Nederland in internationale ranglijsten mag niet te veel waarde worden toegekend’, schrijft de Commissie-Dijsselbloem. Vooral het onderzoek van PISA, dat door de rijkelandenclub OESO wordt uitgevoerd onder 15-jarigen, moest het ontgelden: ‘Niet representatief’, zegt Jeroen Dijsselbloem. Bovendien: De PISA-test wordt opgesteld door Cito en dus hebben de Nederlandse leerlingen een voorsprong.

Lex Borghans, hoogleraar arbeidseconomie aan de Universiteit Maastricht, is de expert op wie Dijsselbloem zich bij zijn wetenschap-bashing baseerde. Voor de commissie-Dijsselbloem deed hij onderzoek naar de waarde van het internationaal vergelijkend onderzoek. ‘Ik zou het niet zo gezegd hebben als Dijsselbloem’, zegt Borghans voorzichtig, maar dat lijkt meer verschil in temperament dan verschil in inzicht.

Want de vergelijking van het Nederlands onderwijs met het buitenland gaat volgens Borghans altijd mank. In het ene land zijn ze vroeg met wiskunde, in het andere laat. Amerikaanse scholieren zouden best laat kunnen zijn. Misschien hebben zij op hun vijftiende veel stof nog niet of nauwelijks gehad. Zou je een paar jaar later komen, dan zijn ze misschien wel erg goed. Misschien. Niemand die het weet. Bovendien heeft het land volgens Borghans een ijzersterke economie. ‘Dat moet te denken geven’.

Maar wat Borghans wel weet, is dat de steekproef van PISA niet erg betrouwbaar is. ‘Dat is alleen in Nederland een echt probleem’, zegt hij. Scholen doen mee op basis van vrijwilligheid, en dat betekende in de praktijk dat alleen scholen die lekker presteerden, meededen. Veel witte kinderen van hoogopgeleide ouders. In 2000 was het zo erg dat PISA weigerde de superhoge scores nog in zijn onderzoek op te nemen.

Dijsselbloem vindt internationale vergelijkingen onbruikbaar, maar kon het toch niet laten één aspect te gebruiken dat van pas kwam: dat Nederland in al die internationale ranglijstjes een beetje zakt. En daarmee slaat hij meteen de plank mis, volgens Borghans. Want het is zeer waarschijnlijk dat die ogenschijnlijke achteruitgang het gevolg is van het beter worden van de steekproef. ‘Als er meer scholen meedoen met kinderen van lager opgeleide ouders, gaat de score vanzelf dalen’, zegt hij. Bij de PISA-onderzoeken is dat zeker het geval geweest.

Ook andere internationale onderzoeken zoals TIMMS en PIRLS hebben moeite met de Nederlandse steekproeven. Dat ze alle uitwijzen dat Nederlandse leerlingen in de toptien staan, en dat hun reken- en leesvaardigheid een beetje daalt, zegt Borghans niet zo veel. Het ministerie zou ervoor moeten zorgen dat scholen verplicht worden mee te doen. En nog beter zou zijn de kennis en kunde te meten na de middelbare school. ‘Maar ja, dat is veel duurder dan tijdens school.’

Om het onnut van PISA aan te tonen, noemde Dijsselbloem in een interview nog een tweede argument: ‘Die test is mede ontworpen door het Cito. Dan kan het geen verbazing wekken dat Nederlandse leerlingen het relatief goed doen.’

Tot op zekere hoogte is Borghans het daarmee eens. Nederlandse wiskunde is bijvoorbeeld ‘realistische wiskunde’: altijd een verhaaltje erbij. De PISA-test doet dat ook. ‘Maar de échte vraag is: welke vorm van wiskunde is nuttiger? Als de realistische wiskunde nuttiger is, dan is PISA de juiste test. Het probleem is dat we dat niet weten. We weten zelfs niet of leerlingen er veel aan hebben meer van wiskunde te weten.’

Niet alleen in Nederland hebben internationale ranglijsten grote indruk gemaakt. De Vlamingen slaan de Walen om de oren met hun veel beter PISA-rapport, en in Duitsland leidden de lage scores in PISA jaren geleden tot een ware ‘PISA-shock’. Maar net als andere Amerikanen haalt econoom en Nobelprijswinnaar Gary Becker er zijn schouders over op. Amerikanen maken na de middelbare school hun achterstand ruimschoots goed en daardoor heeft het land de productiefste economie ter wereld. Bovendien, schrijft Becker: tests negeren systematisch zaken die voor de ‘vorming van menselijk kapitaal’ belangrijker zijn dan wiskunde of taal, en waarin juist Amerikanen uitblinken: originaliteit, zelfexpressie en vermogen te discussiëren.

Meer over