AchtergrondOorlog Nederlands-Indië

Nederlands laatste koloniale oorlog kwam voort uit drie misverstanden

Koning Willem-Alexander heeft zich dinsdag in Jakarta verontschuldigd voor een oorlog die voortkwam uit drie misverstanden.

Ziekenverplegers van de mariniers verlenen eerste hulp aan gewonde pemoeda's na een zuiveringsactie in de buurt van Soerabaja.Beeld ANP

Indonesië zou niet rijp zijn voor zelfstandigheid

Het is een misverstand dat Nederland in 1945 de oude, vooroorlogse gezagsverhoudingen in toenmalig Nederlands-Indië wilde herstellen. Van de Nederlanders onderschreef in februari 1946 slechts 11 procent de stelling ‘dat Indië van Holland moet blijven’. Dat percentage was een jaar later weliswaar opgelopen tot 14 procent, maar toch: de wens om terug te keren naar de status quo ante leefde slechts onder mensen die ook toen al reactionair werden geacht, zoals oorlogspremier Pieter Sjoerds Gerbrandy en de dichter/politicus Carel Gerretson.

Die reactionairen waren niet talrijker dan de Nederlanders die zich in een Nipo-enquête – die had je toen ook al – uitspraken voor volledige Indonesische onafhankelijkheid. De rest van de bevolking had over deze brandende kwestie geen oordeel, of stond een soort gemenebest voor – een ‘rijksverband’ waarbinnen Indonesië ‘een beperkte onafhankelijkheid’ zou genieten. Voor een onmiddellijke en volledige onafhankelijkheid zou het land nog niet rijp zijn. Minister van Buitenlandse Zaken Eelco van Kleffens voelde ‘de noodzaak’ de Indonesiërs tot nader order ‘te beschermen tegen ingekankerde tekortkomingen als dobbelzucht en nepotisme’.

In die opvatting kreeg hij geen bijval van zijn belangrijkste bondgenoten, de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. De Amerikanen waren hoe dan ook gekant tegen de terugkeer van de oude kolonisatoren naar de gebieden die tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Japanners waren bezet. Daar kwam de geopolitieke overweging bij dat de Russen hun voordeel zouden doen met een oorlog in Indonesië. De Britten waren zelf in gesprek met onafhankelijkheidsstrijders in hun Aziatische koloniën, en moedigden de Nederlanders aan hetzelfde te doen.

Nederland miskent de kracht van het Indonesische nationalisme

Toen luitenant-gouverneur-generaal Huib van Mook, de hoogste Nederlandse gezagdrager in Indonesië, gehoor gaf aan die wens en contact zocht met Soekarno, de zelfbenoemde president van de Republiek Indonesië, kwam hem dat bijna op ontslag te staan. In Nederland was men nog (lang) niet klaar voor contact met een man die, vanwege zijn onwillige samenwerking met de Japanners, als een overzeese Mussert werd aangemerkt. Zeker niet na de Bersiap, de uitbarsting van revolutionair geweld in het najaar van 1945 waarvan naar schatting tienduizenden Nederlanders, Indo-Europeanen, Chinezen en ‘verdachte Indonesiërs’ het slachtoffer werden.

Zo kon in Nederland het idee postvatten dat het merendeel van de Indonesiërs – gegokt werd op 95 procent – maar wat graag verlost wilden worden van de chaos waarin Soekarno en zijn pemuda’s (radicale vrijheidsstrijders) het land hadden gestort. Van erkenning van de op 17 augustus 1945 uitgeroepen republiek was dus geen sprake. Wel van onderhandelingen die moesten leiden tot een federatie waarbinnen Nederland de eerste viool zou blijven spelen, en waarbinnen zijn economische belangen zouden zijn gewaarborgd. Vóór de Tweede Wereldoorlog was Nederlands-Indië nog goed geweest voor 10 procent van het bruto binnenlands product. 16 procent van het ‘volksvermogen’ was er belegd. Het ‘verlies van Indië’ was voor sommigen dus een vreesaanjagend vooruitzicht. Voor anderen een onmogelijkheid.

Nederland onderschat zijn internationale isolement

Driemaal heeft Nederland, onder sterke pressie van de Verenigde Naties, met Indonesië over ‘nieuwe staatkundige verhoudingen binnen het koninkrijk’ overlegd. In 1947 kwam het zowaar tot een akkoord, vernoemd naar Linggajati, het bergdorp op Java waar de onderhandelingen hadden plaatsgevonden. Het akkoord voorzag in de oprichting van een Nederlands-Indonesische federatie met de Nederlandse koning(in) als staatshoofd. Het akkoord maakte in beide landen zo weinig enthousiasme los, en werd in de Tweede Kamer van zoveel ‘aankledingen’ voorzien dat het niet levensvatbaar bleek. Zo hanteerde Nederland andere demarcatielijnen dan Indonesië, met wederzijdse verwijten van verdragsschendingen tot gevolg.

Om een vergelijk af te dwingen, heeft Nederland twee ‘politionele acties’ uitgevoerd waarbij het zich volgens historicus Rémy Limpach aan structureel aan excessief geweld bezondigde. Uiteindelijk moest zelfs Van Kleffens, in zijn hoedanigheid van ambassadeur bij de VN, erkennen dat Nederland daarmee was ingegaan ‘tegen de sterke stroom die de wereld in deze periode der historie beweegt’. In 1949 legde Nederland zich bij de onafwendbare zelfstandigheid van Indonesië neer. Vervolgens duurde het nog 71 jaar voordat het staatshoofd zich verontschuldigde voor een oorlog die niet zou zijn gevoerd als Nederland destijds meer realiteitsbesef had getoond.

Met wat meer afstand zijn excuses aan Indonesië nu wel mogelijk
Na 75 jaar kwamen ze dan toch via koning Willem-Alexander, de excuses van een Nederlands staatshoofd voor het militaire geweld bij de onafhankelijkheid van Indonesië. Maar daarmee is nog steeds niet alle kou uit de lucht.

Indonesië neemt genoegen met excuses die nooit ver genoeg gaan
Minister van Buitenlandse Zaken Retno Marsudi is tevreden met de excuses die koning Willem-Alexander heeft meegebracht naar Indonesië. Veel beter zal het niet meer worden, denkt zij: ‘Ik denk dat het nu helder genoeg is en dat we er niet meer op hoeven door te gaan.’

Meer over