'Nederlands biedt onderscheid'

De Franse student zit klaar voor notities, de Nederlander hangt achterover. Hanna Stouten, hoogleraar Nederlandse letterkunde en cultuurgeschiedenis aan de Sorbonne, kent na vijftien jaar wel de verschillen in de les....

'Toen ik in Parijs aantrad had de Nederlandse taal aan de Sorbonne niet eens de status van hoofdvak! Nou, je hoeft geen fanatiek patriot te zijn om dat gek te vinden. Het was een onwaardige situatie.' Gedecideerde verontwaardiging klinkt nog altijd door in de beschaafde stem van Hanna Stouten, wanneer ze beschrijft wat ze in 1989 aantrof bij haar aantreden als hoogleraar Nederlandse letterkunde en cultuurgeschiedenis aan de Sorbonne.

Donderdag nam ze afscheid, na een periode van vijftien jaar onderwijs waarin ze haar Franse studenten de liefde voor de vaderlandse taal en cultuur probeerde bij te brengen. Van een bijvak met drie docenten en een handjevol studenten is haar vak in die periode opgewaardeerd tot een hoofdvak met twee hoogleraarsposten, acht medewerkers en een honderdtal studenten, van wie 25 eerstejaars. 'Sommige Nederlandse universiteiten zijn jaloers op die instroom, de belangstelling voor letteren is in Nederland enorm gedaald. Hier is het ook wat teruggelopen, maar houdt het zich behoorlijk staande.'

De aantrekkingskracht van de studie Nederlands komt voor veel Franse studenten voort uit een zwak voor Nederland vanwege een vakantie, een liefde of familiebanden. 'Maar er zijn ook praktische redenen: met Frans, Duits en Engels onderscheid je je niet meer in Europa, met de Nederlandse taal en cultuur heb je iets bijzonders te bieden.'

Maar wat kan Fransen, met hun rijke cultuur en literatuur, nu aantrekken in Nederland? 'Misschien zie ik dat een beetje te mooi, maar ik denk dat de Nederlander door de geschiedenis heen, en ook nu nog, meer openstaat dan de Fransman, kwetsbaarder is, eerder zijn kaarten op tafel legt. Ook hebben wij maar weinig hirchie in de structuur van onze maatschappij, anders dan de Fransen die nog altijd in het Ancien Rme leven en denken. Daardoor is er bij ons minder automatisch gezag voor iemand die een trapje hoger staat. We durven iets lelijk te vinden, ook al staat het in de canon. Fransen zijn daarentegen niet gewend hun eigen mening te geven.' Stouten ervoer die verschillen in het leslokaal. Typerend: Franse studenten zaten bij haar binnenkomst klaar om te gaan schrijven, Nederlandse studenten plegen kritisch achterover te hangen.

De studenten, die de eerste twee jaar van hun opleiding in het Frans en daarna in het Nederlands onderwijs kregen, bleken bovenal door Nederlandse poe te kunnen worden geraakt. 'Lyriek bleek de grote voltreffer te zijn. De Mei van Gorter vonden studenten elk jaar weer prachtig. Lyriek is toch de kortste weg naar het hart. Daarnaast spraken sommige romans enorm aan: De aanslag van Mulisch, De donkere kamer van Damocles van Hermans, de werken van Van Dis.'

In 1999 publiceerde Stouten met een team van auteurs (onder wie Herman Pleij, Frits van Oosterom en Jaap Goedegebuure) het overzichtswerk Histoire de la littture nlandaise, waarbij zij het hoofdstuk over de achttiende eeuw voor haar rekening nam. 'Dat boek vertelt het hele verhaal van de Nederlandse literatuur, waarbij het niet uitmaakt of je publiek nu uit Fransen of Japanners bestaat.' In de praktijk van het lesgeven was het zaak dat algemene verhaal op de kennis van een Frans publiek toe te snijden. 'Het boek bevatte de ingredien, vervolgens moest je de maaltijd bereiden.'

Groot plezier beleefde Stouten aan het in haar tijd gecrede instituut van de writer in residence: Nederlandse schrijvers zoals Nelleke Noordervliet, Adriaan van Dis, Renate Dorrestein en Nicolaas Matsier, die in het Frans hun werk met de studenten doornamen en zo voor hen 'de deur naar Nederland openzette.'

Stouten was vooral onder de indruk van de kwetsbaarheid die de auteurs daarbij durfden op te brengen: 'Ze bleken tot zoveel meer bereid dan de modale intellectueel.' Dat gedrag inspireerde de hoogleraar om dit jaar, op 67-jarige leeftijd, haar eerste roman te publiceren, Roos, Rose getiteld. Die handelt over het liefdesleven van een vrouw, die in de Franse en de Nederlandse cultuur leeft.

Na veertig jaar betekent dat een overstap van de 'ontvangende' naar de 'producerende' kant van de literatuur. Voor haar leidt dat tot een nieuwe kijk op de boeken waarover zij college gaf. 'Door zelf te schrijven kom ik nu verder met Couperus. Het gaat erom te begrijpen hoe een intue vorm krijgt. Het is een gevoel voor een moverende kracht die de schrijver zelf misschien niet eens doorheeft.'

Meer over