Nederland wilde liever Indië dan Marshallhulp

Door te dreigen met opschorting van de Marshallhulp heeft Amerika de Nederlandse regering ertoe aangezet een einde te maken aan de tweede politionele actie, en de onderhandelingen met de Republiek Indonesië te heropenen, zet Pieter Drooglever uiteen....

VANDAAG bezoekt de Amerikaanse president ons land, en wij wachten in spanning af hoe dat gaan zal. 'America thank You', is het devies, en daar is wat voor te zeggen.

De geschiedenis van de Marshallhulp is een succesverhaal geworden, dat een harmonieuze combinatie te zien geeft van Amerikaanse edelmoedigheid en eigenbelang. En natuurlijk ook van gulle gevers en dankbare ontvangers, zoals het verloop van deze dag ongetwijfeld zal leren. Dat is goed, want de wereld heeft bottere grootmachten gekend dan de Verenigde Staten.

Toch is onze dankbaarheid niet steeds even groot geweest. Zelfs niet op het moment dat die hulp het meest van pas kwam.

Dat had alles te maken met het Indonesië-vraagstuk, waar Nederland mee worstelde toen George Marshall op 5 juni 1947 zijn beroemde Harvard-rede hield. Voor het Nederland van toen was 'Indonesië' een zaak van levensbelang. Het behoud van enige zeggenschap over dat land was niet alleen een kwestie van diepliggende emoties, maar ook van groot economisch belang.

Tot aan de Tweede Wereldoorlog had Nederland met behulp van de Indische exporten de dollars kunnen verdienen waarmee onder meer de importen uit Amerika konden worden gefinancierd. Deze driehoekshandel was ook voor de Verenigde Staten van het grootste belang geweest, omdat zij langs deze weg van rubber, olie, tin, kinine en andere tropische landbouwproducten konden worden voorzien.

Door het conflict in Indonesië, waar de 'Republik Indonesia' het Nederlandse gezag verwierp, kwam die handelsstroom na de oorlog maar moeizaam op gang. Nederland had daardoor een acuut dollartekort, wat de wederopbouw ernstig belemmerde.

Daarnaast had diezelfde oorlog het Duitse achterland vernietigd, waarmee de tweede pijler van de Nederlandse economie, de doorvoerhandel, ernstig getroffen was. In feite waren beide levensaders van Nederland in die eerste naoorlogse jaren afgeknepen.

Het feit dat het zich desondanks langzaam maar zeker omhoog wist te werken, mag een klein wonder heten. De Marshallhulp was daarbij een welkome aanvulling, vooral omdat de daarmee verbonden Europa-politiek de wederopbouw van Duitsland mogelijk maakte.

In het naoorlogse Indonesië voerde Nederland een terughoudende dekolonisatie-politiek. Geprobeerd werd de Republiek Indonesia zoveel mogelijk in te bedden binnen een grotere Indonesische federatie en een Nederlands-Indonesische Unie. Men hoopte daarmee interne stabiliteit te scheppen en voldoende zeggenschap te behouden om de omvangrijke Nederlandse investeringen in Indonesië ook voor de toekomst veilig te stellen.

Deze politiek was in die jaren van beginnende dekolonisatie allesbehalve onomstreden. Het pas onafhankelijke India, de Arabische wereld, maar ook Australië en de Sovjet-Unie wezen Nederland met de vinger na, vooral toen het zich medio 1947 geroepen voelde om over te gaan tot een grootschalig militair optreden, de eerste politionele actie.

De Verenigde Staten van Amerika waren het met deze politiek in grote trekken eens geweest. Ook zij hadden behoefte aan een spoedige hervatting van de importen uit Indonesië, en ook zij vertrouwden erop dat de Nederlanders daarvoor zouden kunnen zorgen.

Met het Nederlandse militaire geweld hadden de Amerikanen meer moeite. Zowel binnenslands als internationaal was er veel verzet tegen dit hardhandige Nederlandse optreden. Openlijk verdedigen wilde men het niet, maar ondershands bleef het State Department onder zijn minister Marshall aan Nederland alle steun geven die het nodig had.

Dat ging zo ver, dat binnen het Marshallplan ook een plaats werd ingeruimd voor Indonesië, dat daarmee het enige koloniale gebied op de lijst werd. De overweging was dat herstel van de Indonesische uitvoer voorwaarde was voor het herstel van Nederland in Europa, en daarom een essentieel onderdeel was van het Europese herstelplan.

Aan die Amerikaanse steun kwam in de loop van 1948 om verschillende redenen een einde. Een daarvan was dat de Amerikaanse bemiddelaars die in VN-verband naar Indonesië werden gezonden, waaronder Merle Cochran, in toenemende mate tot de overtuiging kwamen dat Nederland in Indonesië verder wilde springen dan zijn stok lang was.

Een andere reden was dat vanaf augustus een sterke communistische stroming tot ontwikkeling kwam en de Amerikanen tot het inzicht kwamen dat zij er beter aan deden deze de wind uit de zeilen te nemen. Dat kon door steun te geven aan gematigde nationalisten als de Republikeinse premier Mohamad Hatta. De Amerikanen meenden dat daarmee op de lange termijn ook de Nederlandse (en Amerikaanse) economische belangen het best gediend zouden zijn.

De wederzijdse standpunten verstrakten door deze gewijzigde opstelling. De Nederlanders kwamen voor de keuze te staan: een Amerikaanse patent-oplossing (het Cochran-plan) accepteren, dan wel doorgaan met de eigen plannen en de toorn van Washington riskeren. Nederland koos voor het laatste.

De regeringscoalitie van katholieken, socialisten en liberalen voelde er niets voor om zich een Amerikaans dictaat op te laten leggen in een zaak die men van vitaal belang voor de eigen toekomst achtte. De vrij botte tactiek die de Amerikaanse bemiddelaars in Indonesië daarbij toepasten, droeg er niet toe bij Nederland milder te stemmen.

Omgekeerd waren de Amerikanen weinig gecharmeerd van het eigengereide Nederlandse optreden. Nederland was in de laatse maanden van 1948 een land met een missie, dat zich met de rug tegen de muur geplaatst zag.

Een kat in het nauw maakt rare sprongen, en zo besloot het Nederlandse kabinet in december '48 tot hernieuwd militair optreden. Tijdens de tweede politionele actie werden de resterende Republikeinse gebieden bezet, inclusief de hoofdstad Yogyakarta.

Militair leek dat een aardig succes, hoewel al spoedig bleek dat hebben en houden twee verschillende dingen waren. De uiteengeslagen Republikeinse strijdkrachten wisten zich weer wat te organiseren en ontwikkelden een hinderlijke guerilla-oorlog.

De politieke gevolgen waren desastreus voor Nederland. Dat kwam met name door de Amerikaanse reactie, die nu publiekelijk fel anti-Nederlands werd. Dat uitte zich met name in het optreden van de Amerikaanse vertegenwoordiger in de Veiligheidsraad, waar Nederland voor rotte vis werd uitgemaakt. In de bilaterale contacten bleef de toon beheerster.

Niettemin kwam al dadelijk, op 22 december, in Den Haag een brief binnen van de administrateur van het Marshallplan, Hoffman, waarin werd medegedeeld dat de Verenigde Staten de hulp voor Indonesië hadden stopgezet. Dit was geschied, zo voegde hij daar aan toe, 'for economic reasons', omdat het in de verwarde situatie van het moment niet zeker zou zijn of de verleende hulp wel goed terecht zou komen.

Deze stap kwam niet onverwacht. Bij de voorbereiding van de actie was men zich er aan Nederlandse kant terdege van bewust geweest dat zoiets tot de mogelijkheden behoorde. Dat gold niet alleen een diplomaat als Van Roijen, maar ook binnenlandse politici als Romme (KVP) en Van der Goes van Naters (PvdA).

Amerika had er zelfs expliciet mee gedreigd in een memorandum dat een paar weken voor het begin van de actie in Den Haag was ingediend. Daarin was gesteld dat een Nederlandse aanval zoveel wanorde zou scheppen in Indonesië, dat economisch herstel onmogelijk zou zijn. Dat zou de effecten van de Marshallhulp aan Nederland en Indonesië teniet doen, en de voortzetting daarvan in gevaar brengen.

Dat was duidelijke taal geweest, die in Den Haag niet op prijs werd gesteld. De Amerikaanse diplomaat die het stuk bezorgde had de wind van voren gekregen, terwijl ook de Nederlandse ambassadeur in Washington, Eelco van Kleffens, in actie was gekomen. Dat had tot gevolg gehad dat de dreiging met de Marshallhulp was komen te vervallen.

Een mooi resultaat van de Nederlandse diplomatie, dat ongetwijfeld moet worden toegeschreven aan de goede relaties van Van Kleffens op het State Department. De ministerraad onder voorzitterschap van Drees was er dan ook nogal tevreden over geweest, en had er de hoop uit geput dat het met die Amerikaanse reactie uiteindelijk wel zou meevallen. De stopzetting van de hulp aan Indonesië op 22 december was dan ook een tegenvaller.

Toch was de reactie hierop in Den Haag betrekkelijk gematigd. Immers: er werden alleen economische, geen politieke argumenten aangevoerd, terwijl de stopzetting van de hulp alleen de bescheiden toewijzing van hulp aan Indonesië betrof. Daar kon men ook zonder die Amerikaanse hulp nog wel even vooruit, want er was voedsel en katoen genoeg. Pas als de Marshallhulp aan Nederland zelf in het geding zou komen, zou de toestand ernstig worden. Niettemin hing de dreiging daarvan nu in de lucht, en dat beïnvloedde het Nederlandse beleid in de daarop volgende maanden wel degelijk.

Die dreiging werd door het State Department vakkundig in stand gehouden. Daar liet men Van Kleffens de ellenlange telegrammen lezen afkomstig van de Amerikaanse bemiddelaar in Indonesië, Cochran. Deze voelde zich door het Nederlandse optreden lelijk bij de neus genomen, en liet dat blijken ook.

In de telegrammen die Van Kleffens nu onder ogen kreeg, drong hij voortdurend aan op verdergaande maatregelen. Ook hield men Van Kleffens op de hoogte van de ondershandse activiteiten van de Amerikaanse vakbeweging en diverse kerkelijke organisaties, waar het zondige optreden van het toch als godvruchtig bekend staande Nederland extra hard was aangekomen.

Maar het meest dreigend was toch wel een ontwikkeling die binnen het Congres op gang werd gezet. Het idee van de Marshallhulp stuitte daar op fel verzet bij de conservatieve oppositie.

Men vond die hulp een onverantwoord smijten met belastinggeld, een argument waarvoor de kiezers zeker niet ongevoelig waren. Men kon het beter besteden aan hulp voor de vele Amerikaanse veteranen en oorlogsinvaliden.

Deze oppositie dreigde nu het optreden van Nederland te zullen aangrijpen als handvat, teneinde de ratificatie van de toekenningen in het Huis van Afgevaardigden en de Senaat tegen te houden.

Daarnaast gingen er ook stemmen op om Nederland uit te sluiten van de wapenleveranties die in het kader van de binnenkort op te richten NAVO gewenst waren. Zo leek het Nederlandse optreden in Indonesië een rechtstreekse bedreiging te gaan vormen voor essentiële onderdelen van de Europa-politiek van president Truman en zijn minister van buitenlandse, Marshall, die overigens juist in deze dagen wegens gezondheidsproblemen werd afgelost door Dean Acheson.

Deze oppositie in het Congres werd geleid door de Republikeinse senator Owen Brewster van Maine, door Van Kleffens minachtend afgeschilderd als een provinciale figuur met een dubieuze reputatie. Het openingsschot was een aan de Senaat voorgelegde resolutie van 8 februari 1949, waarin gevraagd werd de hulp aan Nederland stop te zetten zolang het handelde in strijd met aanwijzingen van de Verenigde Naties.

Technisch gezien was dit een zwakke resolutie, omdat de Verenigde Staten zich hiermee eigenhandig zouden moeten opwerpen als de interpretator van VN-resoluties. Niettemin was de toon gezet.

Felle anti-Nederlandse redevoeringen in de Senaat volgden, en het State Department liet Van Kleffens eind maart weten dat men zich zorgen maakte over de gang van zaken, met name wanneer binnenkort het wetsontwerp over de toekenningen onder het Marshallplan in stemming zou worden gebracht. Niet alleen zou dit kunnen leiden tot een afsnijden van de hulp aan Nederland, maar ook tot kortingen op het gehele programma.

Inderdaad aanvaardde de Senaat op 6 april een amendement op het wetsontwerp, waarin de kern van de Brewster-resolutie behouden bleef. De steun aan Nederland zou worden stopgezet indien de VN tot sancties tegen Nederland zouden overgaan.

Dat was in ieder geval een verzachting ten opzichte van de oorspronkelijke tekst, omdat nu geen onmiddellijke actie gevraagd werd. Om dat te ondervangen, richtten 23 Republikeinse senatoren onder leiding van Brewster nog een petitie aan de president waarin hem gevraagd werd om daartoe over te gaan zodra dat nodig zou zijn.

Veel betekenis had dat voorlopig niet. Wel was het tekenend voor de algemeen heersende anti-Nederlandse stemming in de Senaat dat het amendement zonder stemming was aanvaard. Verzet hiertegen werd ook van Democratische kant niet aangetekend, zoals op het State Department tegenover Van Kleffens nog eens fijntjes onderstreept werd. Het was wel duidelijk dat, als Nederland voet bij stuk zou houden, de dreiging die uitging van het Brewster-amendement snel werkelijkheid zou worden.

Het einde van de Nederlandse flinkheid was echter in zicht. Ongeveer tezelfdertijd besloot het kabinet om de onderhandelaar J.H. van Roijen naar Batavia te sturen. Hij moest proberen om met de Republikeinen alsnog tot een vergelijk te komen. Dat initiatief zou binnen een jaar leiden tot de Ronde Tafel Conferentie, de soevereiniteitsoverdracht en het uiteenvallen van de Indonesische federatie. De plannen tot stopzetting van de hulp aan Nederland verdwenen daarmee onder tafel.

Toch is nog tot na het afsluiten van de Ronde Tafel Conferentie in November 1949 tussen Nederlanders en Amerikanen gebakkeleid over het tijdstip van hervatting van de Marshallhulp aan Indonesië, en over de voorwaarden waarop dat zou geschieden.

De felste weerstand van Amerikaanse zijde kwam steeds van Cochran, die de Marshallhulp als troefkaart achter de hand wilde houden om de Nederlandse regering tot inschikkelijkheid te bewegen. Toen de hulp aan Indonesië ten slotte werd hervat, wendden de Amerikanen zich rechtstreeks -dus zonder tussenkomst van Nederland - tot de Indonesische autoriteiten.

Terugblikkend, is het eigenlijk verbazingwekkend dat Nederland pas aan het eind van de jaren veertig deze les moest leren. Het toont ons dat we geschiedenis niet alleen in terugblik, maar ook door de ogen van de tijdgenoten moeten bezien.

Van die tijdgenoten was oud-minister en ambassadeur Van Kleffens wel het nauwst betrokken geweest bij de discussie met de Amerikanen. Hij heeft dat bekwaam gedaan, maar duidelijk vanuit een visie die bepaald was door de 'zelfstandigheidspolitiek' van het verleden. Tekenend daarvoor was zijn optreden bij zijn afscheidsbezoek aan Dean Acheson in augustus 1949.

Bij die gelegenheid gaf hij een overzicht van de Nederlands-Amerikaanse verhoudingen, waarbij de nadruk kwam te liggen op de grieven van de laatste tijd. De ontstemming in Nederland tegenover Amerika, zo deelde Van Kleffens mede, vond haar oorsprong in de Amerikaanse politiek tegenover Duitsland en Indonesië.

In het naoorlogse Duitsland, waar onder anderen Amerikanen en Britten de scepter zwaaiden, waren de Nederlandse belangen in dat land consequent veronachtzaamd. Rechtmatige Nederlandse claims werden niet gehonoreerd. Daardoor had men het Nederland onmogelijk gemaakt er op eigen kracht weer bovenop te komen, en is het afhankelijk gemaakt van Marshallsteun.

Met Indonesië was het niet anders gesteld. Hier had gebrek aan Amerikaansse steun de Nederlandse positie zeer verzwakt. Dat gold met name het eenzijdig onder druk zetten van Nederland met de Marshallhulp. Dit had niet alleen in Nederland kwaad bloed gezet, maar ook aan Indonesische kant de eisen opgedreven.

Het was een breedvoerig verhaal, vol verontwaardiging en lang onderdrukt leed, maar Acheson toonde zich niet onder de indruk. Nadat Van Kleffens uitgesproken was, stelde hij droogjes vast dat ten aanzien van Indonesië 'I fear we shall have to put up, for the time being, with a little more irritation'. Dat was geen woord te veel gezegd.

Pieter Drooglever is verbonden aan het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, en tevens bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Nijmegen, waar hij de L.J. Rogier wisselleerstoel bezet.

Zie S.L. van der Wal, P.J. Drooglever en M.J.B. Schouten, Officiële bescheiden betreffende de Nederlands-Indonesische betrekkingen 1945-1950, 20 vols, Den Haag 1971-1996.

Meer over