‘NEDERLAND TELT TE VEEL GROTE MUSEA’

Uit deceptie over het Nederlandse kunstklimaat verruilt Rein Wolfs Museum Boijmans Van Beuningen voor de Kunsthalle in Kassel. ‘De laatste kunstbeweging in Nederland?...

Zo’n tien jaar was Rein Wolfs (47) weggeweest. Eerst als stagiaire bij de beroemde Crex Collectie in Schaffhausen. Daarna als de eerste directeur van het Migros Museum voor hedendaagse kunst in Zürich. Hij herinnert het zich als een levendige tijd. Halverwege de jaren negentig zat de Zwitserse kunst in de lift.

Wolfs: ‘Daarvoor waren alleen Basel en Bern belangrijke centra. Plots ontstonden er ook nieuwe ruimten in Zürich, een nieuwe scène, met belangrijke galeries, op internationaal niveau. Er werden verzamelaars ingevlogen. Er waren belangrijke kunstenaars, zoals Fischli & Weiss en Pipilotti Rist. Een tweede generatie stond te trappelen, Urs Fischer, Ugo Rondinone. Er was veel geld. De bomen groeiden tot in de hemel. En iedereen wilde daarbij horen.’

Maar gaandeweg werd Zwitserland hem te kapitalistisch. ‘Zo’n opleving duurt zes, zeven jaar. Daarna gaat de curve de andere kant op. In Zwitserland begon alles te veel door de markt bepaald te worden.’ Time for a change. En die kreeg hij in 2001 bij het Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, als hoofd presentatie.

Hij hoopte in Nederland een structuur aan te treffen die minder commercieel was dan in Zwitserland. Een voortzetting van de jaren tachtig toen hij, als student kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, had meegemaakt dat er een grote gretigheid en tolerantie was voor internationale ontwikkelingen.

Het weerzien viel hem rauw op zijn dak. ‘Zag ik plots op de tv een kale politicus. Saluerend. At your service. Wilde ik juist weer in een socialistische stad gaan wonen, krijg je dit.’

Het idealistische beeld dat hij in Zwitserland van Nederland had was niet uitgekomen. Ook niet wat de kunst betreft. De afgelopen jaren heeft hij zich daar al geregeld over uitgelaten. Zijn analyse: in Nederland zijn de musea te groot en de galeries nog te weinig professioneel, terwijl de pers zich te veel richt op populaire museumtentoonstellingen.

Misschien is het daarom geen toeval dat hij deze zomer bekend maakte na zes jaar weer te vertrekken. Wolfs begint op 1 januari in Kassel als directeur van de plaatselijke Kunsthalle, een van de grootse van Duitsland. Niet dat hij teleurgesteld is in het Boijmans, wél in de slagkracht van de Nederlandse kunstwereld. Terwijl er volgens hem genoeg potentie is, aan kunstenaars, instellingen voor hedendaagse kunst, gedreven curatoren en welwillende collectioneurs.

Maar wat hij mist is samenhorigheidsgevoel, een bindende factor. Een scene, zoals die bestond in de jaren tachtig rond het Stedelijk Museum en De Appel in Amsterdam, en tien jaar later rond Witte de With in Rotterdam.

Wolfs: ‘Er wordt nu gediscussieerd over de Nederlandse identiteit, door de politiek, door Maximá. Maar of die bestaat, daaraan wordt terecht getwijfeld. Er is op dit moment geen goede voedingsbodem voor een bepaald gemeenschapsgevoel. Dat merk je ook onder kunstenaars. Er zijn kunstenaars die een internationale carrière hebben, zoals Marlene Dumans, Michael Raedecker, Rineke Dijkstra, Erik van Lieshout, maar ze opereren op een individuele manier. Het zijn Einzelgänger. De laatste kunstbeweging in Nederland? Ik zou het niet weten. De Jonge Wilden, eind jaren zeventig, dat is het laatste wat ik me kan herinneren.’

Het blijft allemaal te klein. Te versnipperd. Grote verzamelaars blijven te discreet, in plaats van trots hun waren naar buiten te brengen. Galeries zijn te veel op de Nederlandse markt gericht, als een ‘uit de hand gelopen hobby’, terwijl ze volgens Wolfs agressiever naar buiten moeten treden, door bijvoorbeeld een filiaal in het buitenland op te richten.

‘We zijn een bescheiden bevolking.’ In de kern worstelt de Nederlandse kunst, volgens Wolfs, met een ‘profileringsprobleem’. Het is niet onderscheidend genoeg. En als je Wolfs mag geloven, kán het ook niet onderscheidend zijn.

Een van de grootste problemen in Nederland is dat tegenover een flink aantal grote musea een betrekkelijk gering aantal kleine staan. Wolfs: ‘Grote musea zijn encyclopedisch van opzet. Ze verzamelen en exposeren, van de Middeleeuwen tot vandaag. En naast kunst ook design, kunstnijverheid en mode. Terwijl ze, naast aankopen en archiveren, ook nog eens cutting edge moeten zijn, in het aanzwengelen van het debat en het tonen van de nieuwste ontwikkelingen. Dat zijn ongelooflijk veel opdrachten, met grote verwachtingen. Niet echt realistisch.’

Het geldt volgens Wolfs voor zowel het Boijmans, Bonnefantenmuseum en Centraal Museum als het Groninger Museum, Gemeentemuseum Den Haag en het Stedelijk in Amsterdam. In het buitenland is dat anders.

‘Neem Zwitserland en Duitsland. Daar is veel meer segmentering. Een beetje Duitse stad heeft een Kunstmuseum met een vaste collectie, een Kunsthalle voor hedendaagse kunst op hoog niveau, en een Kunstverein die door de burgers gedragen wordt, een lokale functie heeft en meer experimentele kunst laat zien.’

Mooi vindt Wolfs ook het voorbeeld van Basel. ‘Daar heb je het Kunstmuseum en het Museum für Gegenwartskunst, dat een satelliet is van het moedermuseum. Het geheel staat onder één directie, maar wel met verschillende verantwoordelijkheden, gescheiden budgetten en een aparte staf.

Overwegingen over het belang van kleine musea voor hedendaagse kunst is wat Wolfs node heeft gemist in het debat, eind vorig jaar, tussen het zogenoemde miniconvent van directeuren van de grote musea en enkele directeuren en conservatoren van kleinere musea. De brief die directeur Stijn Huijts van Het Domein in Sittard en enkele companen schreven aan dat miniconvent, ging, volgens Wolfs, te veel uit van de suggestie van een generatieconflict in de Nederlandse musea. Alsof de Nederlandse museumwereld een patriarchale hiërarchie heeft die een natuurlijke doorstroming onmogelijk maakt. ‘Het heeft niets te maken met het establishment van oudere directeuren. Het komt eerder omdat er te veel grote musea zijn en te weinig kleine instellingen.’

Het feit dat de grote musea zo’n grote aantrekkingskracht hebben op jonge curatoren is namelijk fnuikend, meent Wolfs. ‘Jonge mensen ambiëren veel te snel een museale carrière. Velen zien het conservatorschap als het op één na hoogste, na het directeurschap. Dat is jammer. Ik adviseer aankomende tentoonstellingsmakers eerder bij een kleine instelling te gaan werken, dan bij het museum. Bij een kleine, specifieke kunstruimte kun je een persoonlijk handschrift ontwikkelen. Waardoor je je beter kan onderscheiden. Ook internationaal. Dat is wat ik in Nederland mis.

‘Er worden ook maar weinig Nederlandse tentoonstellingsmakers in het buitenland gevraagd. Gijs van Tuyl bouwde het Kunstmuseum Wolfsburg op, Martijn van Nieuwenhuyzen was in Londen actief, Waling Boers in Berlijn en nu ook in China, en ik in Zürich. Maar dat is het wel zo’n beetje. Er is geen Nederlander die in de komende tien jaar voor de Documenta in Kassel of een grote biënnale in aanmerking komt. Dat komt omdat ze in een groot museum opgaan. Ze zijn niet zichtbaar.’

Dat er overigens nu juist in de kleine kunstinstellingen in Nederland zoveel buitenlanders directeur zijn – de Vlaamse Ann Demeester in De Appel, de Duitser Nicolaus Schafhausen in Witte de With en de Slowaakse Maria Hlavajova in BAK – kan Wolfs wel verklaren. Ze zitten er volgens hem dankzij de discussie die door de directeur van de Mondriaan Stichting, Gitta Luiten, is aangezwengeld. Wolfs: ‘Gitta Luiten heeft een tijdje geleden gezegd, dat er meer buitenlanders in Nederland directeur moeten worden. Dat is bevruchtend en daar is niets verkeerds aan. Maar ze hebben wel érg goed geluisterd.’

De aanstellingen zijn een spiegel van het beleid van de Mondriaan Stichting, vindt Wolfs. ‘De Mondriaan Stichting is gepolitiseerd. Al sinds Rick van der Ploeg (staatssecretaris voor cultuur van 1998 tot 2002 RP) is het een instrument van de overheid. Ze zien de kunst als een mogelijkheid een groter maatschappelijk doel te realiseren.’

Het verklaart volgens Wolfs waarom de Mondriaan Stichting relatief eerder subsidie geeft op aanvragen die te maken hebben met educatie, integratie en publieksverbreding, dan op de zuiver inhoudelijke aspecten van een verzoek. ‘Als de Mondriaan Stichting een, op zichzelf interessante, prijs uitschrijft voor het beste museumplan voor meer culturele diversiteit, dan ben je de zaak politiek aan het sturen – hoezeer het onderwerp me ook ter harte gaat.’

Dat de musea toch gretig op die voorwaarden ingaan, komt omdat ze afhankelijk zijn van de Mondriaan Stichting. ‘Je moet nu eenmaal overleven.’ Anderzijds, meent Wolfs, is de publieksverbreding, die de Mondriaan Stichting wil bevorderen, ook voor musea aantrekkelijk. ‘Je kunt natuurlijk met minder geld rondkomen, minder tentoonstellingen maken en geen 200 maar 100 duizend bezoekers willen trekken, maar dan is het risico van isolement wel heel groot.’

Toch kan Wolfs de gedachten van de Mondriaan Stichting niet helemaal volgen. Dat de stichting vindt dat de Nederlandse musea zich beter internationaal moeten profileren én dat ze een groter publieksbereik moeten hebben, is volgens hem een vreemde spagaat.

‘Wie internationaal belangrijk wil zijn, moet zich duidelijk profileren. En grote musea zijn daarvoor niet de meest geëigende organisaties. Wereldwijd worden ze niet langer gezien als dé plekken waar nieuwe ideeën worden geventileerd. Ze zijn meer mainstream geworden, gericht op omzet. Met boekwinkels en restaurants. Kleinere instellingen hebben daar geen last van. Die kunnen een specifieker tentoonstellingsprogram draaien, zonder al te veel kosten. De kans dat je daardoor in het buitenland opvalt is groter.’

Of er in Nederland meer van zulke kleinere instellingen zullen ontstaan? Wolfs ziet wel mogelijkheden, hoewel het niet realistisch is te veronderstellen dat musea zich zullen opsplitsen of afdelingen zullen afstoten.

Wolfs: ‘Maar je kunt wel een cesuur maken: vanaf nu brengen we de hedendaagse kunst onder in aparte musea. Dat is ook voor de bezoekers duidelijker. Het gaat erom dat ze zich kunnen identificeren. En dat is voor een groot museum veel moeilijker. Die hebben meerdere profielen.’

Gespecialiseerde instellingen kunnen ook beter een herkenbaar beleid voeren, door de herhaling in hun programmering. Niet eens in de zes maanden een tentoonstelling van hedendaagse kunst, maar elke twee maanden. Daar komt bij dat een kleiner satellietmuseum een grotere slagkracht kan ontwikkelen. ‘In Zürich hadden we aan vijf, zes mensen genoeg, hoewel we naast exposeren ook aankochten. De lijnen zijn korter. Je kunt sneller reageren.’

Wat dat betreft loopt Nederland achter de feiten aan, moet ook Wolfs constateren, net nu alle belangrijke musea hun uitbreidingsplannen hebben gerealiseerd. Of aan het realiseren zijn, zoals het Stedelijk. En dat terwijl hij wel vertrouwen heeft in het ‘nieuwe Stedelijk’. Niet als het alleen maar een geoliede machine zal worden als het Museum of Modern Art in New York of de Tate Gallery in Londen. Maar wel als het de bestaande collectie moderne kunst kan paren aan een ‘experimenteel en dynamisch’ tentoonstellingsbeleid.

Wolfs: ‘Een groot probleem is dat twee van de belangrijkste musea in Nederland al jarenlang dicht zijn: het Stedelijk en het Rijksmuseum. Er is een gevoel van tekort, omdat Nederland nu eenmaal op Amsterdam gericht is. En dat werkt ook internationaal door. Maar als het Stedelijk weer opent, kan er weer een scene ontstaan, zoals in de jaren tachtig. Ik geloof nu eenmaal in een fancultuur. In ambiance.

‘En als het Stedelijk weer in optima forma gaat functioneren, dan klimmen Amsterdam en Nederland weer op in de vaart der volkeren. Die potentie heeft het.’

Meer over