InterviewHan Lörzing

Nederland is nog lang niet af

 Leidscherijn in Utrecht. Planoloog Han Lörzing zegt over vinexwijken: ‘De mensen die er wonen, vinden het fantastisch. Het zijn modelwijken.’ Beeld Raymond Rutting/de Volkskrant
Leidscherijn in Utrecht. Planoloog Han Lörzing zegt over vinexwijken: ‘De mensen die er wonen, vinden het fantastisch. Het zijn modelwijken.’Beeld Raymond Rutting/de Volkskrant

Planologen hebben van Nederland een aangeharkt land gemaakt. Prachtig, vindt planoloog Han Lörzing (74). Het is tijd voor eerherstel van zijn professie. Want zo moeilijk is het oplossen van het woningtekort niet.

In januari 2011 dwaalde Han Lörzing (74) door de lege gangen van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM). Het departement was een jaar eerder opgeheven, het gebouw was verlaten. De aanblik was ontluisterend, vertelt Lörzing.

‘Her en der lagen omgegooide tafeltjes met lege dienbladen en vuile kopjes. Er was op het laatst nog een receptie gehouden, dat was niet opgeruimd. Het gebouw zag eruit alsof het geëvacueerd was na een bomalarm. Ik kende het als een stikvolle honingraat vol ambtenaren. Nu was het onttakeld.’

Maar hier was meer aan de hand dan louter de troosteloosheid van een leeg kantoorgebouw, besefte Lörzing. Dit stond voor iets groters. Hier werd de ruimtelijke ordening, ooit een van de vlaggeschepen van het Nederlandse beleid, ten grave gedragen, schrijft hij in zijn boek Een land waarover is nagedacht.

‘Dit was niet alleen het afscheid van een gebouw, maar ook van het zenuwcentrum van de ooit zo machtige ruimtelijke ordening in Nederland. Een lege huls, dat was alles wat er van het ministerie was overgebleven. De ordeningsstaat, het hiërarchische beslissingsmodel voor de ruimtelijke ordening van het land werd in een verrassend kort tijdsbestek afgebroken.’

U heeft uw leven lang als planoloog gewerkt. Voelde u weemoed bij het afscheid?

‘Ik had altijd de pest aan het gebouw, dus het afscheid daarvan was gemakkelijk. Weemoed voelde ik niet. Het was meer een gevoel van de onontkoombaarheid der dingen.’

De boodschap die ervan uitging was duidelijk: Nederland is af.

‘Dat werd gezegd, letterlijk, tot de minister aan toe. Het gekke is: er kwam nauwelijks weerwoord op. Er was een moment dat ik mijzelf ook begon af te vragen: Wat doe ik hier nog? Welke planoloog doet als laatste het licht uit?’

Hoe anders was de stemming in de honderd jaar die daaraan vooraf gingen. Nederland, zo wordt ons met de paplepel ingegoten, is gemaakt door mensenhanden. Polders werden drooggelegd, land werd gewonnen. ‘Dieu créa le monde, mais les Hollandais créèrent la Hollande’, schreef de Franse filosoof René Descartes al in de 17de eeuw.

Deze maakbaarheidsgedachte bereikte zijn hoogtepunt in de periode 1900-2000 die zonder overdrijving de eeuw van de planologie kan worden genoemd. Die begon met de Woningwet van 1901, gevolgd door de bouw van ‘arbeiderspaleizen’ in de jaren dertig, de wederopbouw, de hoogbouw van de jaren zestig, de opkomst van woonerven en liep tot aan de vinexwijken van eind jaren negentig.

Lörzings boek bestrijkt de hele periode waarin hij zelf ook actief was. De geboren Hagenaar, van huis uit landschapsarchitect, ontwierp parken in de Bijlmer, werkte als planoloog voor Zuid-Holland en het Rijk en had een adviesbureau voor provincies en gemeenten.

Het idee dat Nederland door Nederlanders is gemaakt vormt een bron van nationale trots. Wat heeft honderd jaar planologie Nederland opgeleverd?

‘Een buitengewoon mooi en geregeld land. Waar alles op zijn plaats ligt, overzichtelijk en bereikbaar is. Goed te beheren en te beheersen. Wij hebben niet voor niets een van de beste openbaarvervoersystemen ter wereld. Het is allemaal voortreffelijk in elkaar gedraaid.’

Maar op vakantie kijken wij vertederd naar de charmante rommeligheid van dorpjes in Frankrijk en België. Daar is geen planoloog aan te pas gekomen. Jullie hebben van Nederland een aangeharkt land gemaakt.

‘Wat wij niet zien is dat buiten dat pittoreske Franse dorpje een hypermarché staat die de middenstand heeft vermoord. Ik heb een huisje gehad in Noord-Frankrijk. Ga in dorpsstraten kijken: daar zit bijna niets meer. Die dorpen zijn verarmd. Dat is bij ons aardig vermeden. Vlaanderen heeft charme, zegt iedereen. Maar het is godgeklaagd wat daar gebeurt. Vlaanderen is een spinnenweb van eindeloze weggetjes met lintbebouwing. Het landschap is weg.’

Ik heb Belgische vrienden. Ik ben jaloers op hoe die wonen. Mooier dan in onze woonerven of vinexwijken.

‘Over vinexwijken wordt door critici altijd zuur gedaan: kneuterig, saai. Maar de mensen die er wonen, vinden het fantastisch. De Vinex is schitterend gedaan, het zijn modelwijken. Je woont vlak bij winkels en scholen. Het openbaar vervoer zit om de hoek.

‘Ik heb sinds de jaren zeventig regelmatig stedenbouwers en bestuurders uit de Verenigde Staten en Groot-Brittannië rondgeleid. Ze waren verliefd op Houten. Nieuwbouwwijken als Kattenbroek en Vathorst bij Amersfoort: daar vielen ze bij in katzwijm. Een Amerikaanse criticus schreef: ‘Leave it to the Dutch to make suburbia cool’. Dat was niet voor niets. Neem het woonerf, ook zo’n Nederlandse uitvinding. Dat kreeg navolging tot in de VS en Japan. Wij waarderen dat niet genoeg.’

Uw boek bestrijkt een eeuw planologie. Wat was volgens u het hoogtepunt?

‘De jaren zestig. Toen hadden we de zaak goed op orde. We hadden heldere wetgeving en een visie op hoe het land moest worden ingericht.’

Dat is gek. Volgens uw boek waren de jaren zestig juist een tijd van ‘compromisloze hoogbouw en dolgedraaide grootschaligheid’.

‘Dat is een merkwaardig verhaal. Terwijl op rijksniveau de prachtigste ideeën werden bedacht, werden op gemeenteniveau gruwelijke dingen gebouwd. De jaren zestig leverden de slechtste stedenbouw op die wij ooit gehad hebben.’

Hoogbouw in de Bijlmer in Amsterdam. ‘Arbeiders moesten een riante flatwoning krijgen in een groene omgeving. Maar de Bijlmer liep al snel dood.’ Beeld Raymond Rutting/de Volkskrant
Hoogbouw in de Bijlmer in Amsterdam. ‘Arbeiders moesten een riante flatwoning krijgen in een groene omgeving. Maar de Bijlmer liep al snel dood.’Beeld Raymond Rutting/de Volkskrant

De Bijlmer is daar een bekend voorbeeld van. Maar u noemt ook de Kennedyflat in het Limburgse Eygelshoven.

‘Die was verschrikkelijk. In een glooiend landschap met kleine huisjes stond ineens die enorme plank van twaalf verdiepingen. Bezopen. Het was pure statusjacht. Een kleine gemeente die zei: als ze in de stad zoiets hebben, willen wij het ook. Het ging snel mis. De flat was rot, slecht gebouwd. Bewoners klaagden. In 1979 werd de Kennedyflat afgebroken, twaalf jaar nadat hij was gebouwd.

‘De Bijlmer was een product van losgeslagen idealisme. Oude arbeiderswijken als de Pijp in Amsterdam en de Schilderswijk in Den Haag moesten worden afgebroken. Dat waren krotten waar de zon nooit kwam. Arbeiders moesten een riante flatwoning krijgen in een groene omgeving.

‘Het was bijna communistisch rigide. Iemand vroeg aan Siegfried Nassuth, de bouwer van de Bijlmer, of ze in de zijgevels van de flats ook raampjes zouden maken. Hij raakte er bijna van over de rooie. Dat was oneerlijk; dan zou de ene bewoner meer raam hebben dan de andere.

‘De Bijlmer liep al snel dood. Die prachtige binnentuinen waren doodeng. De gemeenschappelijke ruimtes onder de flats werden drugsholen. Ik heb er zelf gewoond, begin jaren zeventig. Toen was het al helemaal mis. De teloorgang van de Bijlmer voltrok zich binnen twee tot drie jaar.’

Houden planologen geen rekening met de menselijke maat?

‘Architecten en stedenbouwers hebben blinde vlekken gehad. Mejuffrouw Mulder, destijds directeur bij Stadsontwikkeling, maakte bezwaar tegen de Bijlmer. Ze zei: als je zulke hoge flats bouwt kan een moeder haar kinderen niet zien spelen. Dat werd weggehoond, maar ze had gelijk. Het idee dat je vanuit je voordeur enige controle kon hebben over je omgeving was helemaal weg.’

Als de jaren zestig het hoogtepunt waren: wat was het dieptepunt?

‘In de jaren zeventig raakte het stelsel in verwarring. Dat kwam vooral door de milieubeweging. In de late jaren zestig kwam ecologie op als academische studie. Die lieden moesten ergens werk vinden. Een heleboel belandden bij het Rijk en de provincies. Zij kwamen op voor wat zij zagen als een zwakke partij in de discussie: het landschap en de natuur.

‘Ze gooiden zand in de machine. Of het nou een weg was of een nieuwbouwwijk: ze maakten overal bezwaar tegen en konden projecten eindeloos traineren. Verkeersdruk, aantasting van het landschap, dat was altijd raak. Natuurlijk gaat landschap verloren als de stad uitbreidt. Dat was tot dan toe nooit een punt, maar het werd ineens belangrijk. Ze kregen ook politieke steun.’

Dat lijkt toch een gezonde tegenreactie?

‘Achteraf moet ik toegeven dat ze op een aantal punten gelijk hadden. Maar het is doorgeslagen. De natuur is veel te machtig geworden. Als wij bos kappen op de Sallandse Heuvelrug om het korhoen te behouden, dan zeg ik: weg met het korhoen. Ga maar naar Polen als je er zo graag een wilt zien.

‘Wij zijn gek geworden. De kaart van Nederland staat vol met spikkeltjes natuur die in een achterkamertje in Brussel zijn ingetekend door een stel overijverige ambtenaren. Elk pukkeltje moest worden beschermd. Daarmee zet je het land op slot. We hebben de Veluwe, de Waddenzee, Zuid-Limburg, de Drentse bossen. Prachtig allemaal. Maar ga in godsnaam niet elk bosje of zompig stukje prut beschermen.’

Een terugkerend element in de ruimtelijke ordening is het spreidingsbeleid: de Randstad mocht niet aan elkaar groeien, het Groene Hart moest open blijven.

‘De Randstad werd door de Britse planoloog Peter Hall in zijn boek The World Cities (1966) omschreven als een meerpolige metropool: niet één stad, maar in de praktijk functioneert het wel zo. De verbindingen tussen de steden zijn voortreffelijk. Het is een concept dat nog steeds redelijk goed werkt, dus waarom zou je dat afschaffen?

‘Over het Groene Hart deed een vooraanstaande planoloog ooit de onsterfelijke uitspraak: dat is de plek waar je tegen de wind in kunt fietsen. Hij had gelijk. Het Groene Hart bestaat niet, het is een samenraapsel van totaal onvergelijkbare gebieden. Sommige stukken zijn buitengewoon waardevol, maar het gebied als geheel heeft weinig samenhang.

‘De gemiddelde dichtheid van het Groene Hart is 450 mensen per vierkante kilometer. Dat is hetzelfde als in heel Nederland. Het Groene Hart is dus helemaal niet leeg. De groene buffertjes tussen de steden zijn veel belangrijker dan het Groene Hart zelf.

‘Waarom zou je in het Groene Hart niet een paar woonkernen bouwen? Dat is vloeken in de kerk. Maar het klontert hier en daar toch al dicht. Het Groene Hart was jarenlang mijn werkgebied, maar ik heb er niks mee. Dat heb ik nooit gezegd, want dan was ik waarschijnlijk ontslagen.’

Is het idee dat Nederland een land is niet achterhaald? Waarom beschouwen we Nederland niet als een stadstaat à la Singapore of New York, met de Randstad als Manhattan, de Veluwe als Central Park en Groningen en Maastricht als buitenwijken?

‘Dat is geen krankzinnig idee. Dankzij internet kun je in principe overal wonen. Zo’n verschuiving van perspectief zou ertoe leiden dat je voorzieningen gemakkelijker spreidt en niet allemaal in de Randstad legt. Zet een nieuw operagebouw neer in Groningen, niet voor de Groningers, maar voor heel Nederland. Songfestival: doe maar in Enschede. Een olympisch stadion tussen Arnhem en Nijmegen: waarom niet?

‘Tokio is het voorbeeld. Tokio is een volkomen gespreide metropool met 35 miljoen inwoners en een beroemde ringlijn die alle belangrijke kernen aandoet. Sommige daarvan zijn wolkenkrabberwijken. Dat zijn de buitenwijken van de stad. Maar wij zijn daar niet rijp voor. Er zit nog een 19de-eeuwse eigenzinnigheid in steden die zichzelf als het centrum van de wereld beschouwen.’

Na de Vinex, een laatste eruptie van planologische verbeeldingskracht, zette de neergang in. Wanneer begon die?

‘In de jaren nul raakte de boel in de versukkeling. De ministers die er zaten hadden geen belangstelling voor ruimtelijke ordening. In 2001 kwam Pim Fortuyn op, gesteund door mensen uit de vastgoedwereld. Die hadden niks met ruimtelijke ordening: die wilden bouwen.

‘Partijen als het CDA en de VVD schoven op. Er ontstond een onderstroom die zei: ruimtelijke ordening zit onze boeren en ondernemers alleen maar dwars. De status van VROM, ooit een van de meest begerenswaardige portefeuilles, brokkelde af. Het werd een sluitpost bij de kabinetsformatie, net zo interessant als Defensie of Asielzaken. Ook de PvdA liet het keihard vallen.’

Ruimtelijke ordening gold altijd als een linkse hobby.

‘Vóór de oorlog was het iets van idealistische wethouders die sociale woningbouw tot stand wilden brengen. Dat is blijven hangen. Een van mijn directeuren deed ooit een enquête naar de politieke voorkeuren van zijn personeel. Er zat één CDA’er bij en een verdwaalde VVD’er. De rest stemde PvdA, GroenLinks of D66. Interessant is dat dat niet gold voor de ministers op het departement. Onder de laatste vijf zaten drie VVD’ers.

‘Na de Vinex vloeide alle animo weg. Op een gegeven moment merkte ik: ze zijn aan het herkauwen, er komt niets meer bij. De kredietcrisis kwam er overheen, daarna de eurocrisis. Alles kwam tot stilstand. Dat was een moment dat ik ook begon te twijfelen.

‘Op dat moment was de gemiddelde woningbezetting in Nederland gedaald naar ruim twee mensen per woning, de helft van na de oorlog. Dat kwam vooral door echtscheidingen. Dus het was verleidelijk om te zeggen: moeten we straks voor iedere Nederlander een huis gaan bouwen? Dat kan toch niet.’

In 2010 werd VROM opgeheven. Nu schreeuwt iedereen moord en brand dat we een miljoen woningen tekortkomen. Er wordt geroepen om de terugkeer van een minister van VROM in een nieuw kabinet. Moeten we dat willen?

‘Ja, maar houd in godsnaam het milieu eruit, doe dat in een apart ministerie met klimaat. Breng planologie onder bij een ministerie van BWR: Bouwen, Wonen en Ruimte. Zet daar een minister op met enthousiasme en een staatssecretaris met een smak geld.

‘De Vinex was een groot succes. Maar dat waren vooral koopwoningen. Wat we vergeten zijn, is de behoefte aan betaalbare woningen in de stad voor groepen die het nu niet kunnen betalen, zoals de brandweerman, de politieagent en de verpleegster. Dat is een belangrijke opgave.

‘De komende tien jaar moeten een miljoen woningen worden bijgebouwd. Dat klinkt veel. Maar als je naar de geschiedenis kijkt is het niet zo bijzonder. We hebben tussen 1960 en 2009 elke tien jaar een miljoen woningen gebouwd.’

Is Nederland ooit af?

‘Nee. En als we klaar zijn, breken we een stuk af en beginnen opnieuw.’

Meer over