Nederland ging op in zijn rol als afzijdige vredeshandhaver

Ook na Srebrenica verloor Nederland zijn onschuld nog keer op keer.

Martin Sommer
Oud-minister Joris Voorhoeve. Beeld anp
Oud-minister Joris Voorhoeve.Beeld anp

Van de geheime afspraak om te stoppen met de luchtaanvallen op de Bosnische Serviërs wisten we allang. Ik belde Bart Rijs, twintig jaar terug onze correspondent in Joegoslavië. In de bar ging het nergens anders over, zei hij, nadat de Serviërs waren begonnen Britse en Franse gijzelaars vrij te laten. Dat was nog voor de val van de enclave Srebrenica. De geheime deal was dan ook niet het nieuws van de week. Het nieuws was dat Joris Voorhoeve, toentertijd minister van Defensie, daar zo verbaasd over is.

Hij had het document gevonden waar het zwart op wit stond. Geen luchtaanvallen, premier Major en president Chirac hadden een deal gesloten. Het stempel van president Clinton stond erop. Voorhoeve kon het niet geloven. Ze hadden ons beloofd dat ze zouden bombarderen. Maar de bommen kwamen niet en de rest is bekend. Het had anders kunnen lopen, zei Voorhoeve op tv. Maar het liep niet anders, en het kan geen kwaad eraan te herinneren dat het einde van de oorlog in Joegoslavië niet te danken is aan de VN maar aan harde Amerikaanse machtspolitiek.

Mij gaat het niet om de vraag of Voorhoeve zijn straatje schoonveegt. Het gaat me om die verbazing en dat ongeloof, de veronderstelling dat belofte schuld maakt en dat keurige mensen zo niet met elkaar omgaan. Die verbazing stijgt ook op uit het Srebrenica-rapport van het NIOD. In het hoofdstuk dat aan de geheime deal is gewijd, kun je lezen dat het inderdaad van meet af aan barstte van de berichten en de geruchten. Maar ook het NIOD wilde nergens van weten. Wie een deal veronderstelde, was een fantast, een grootspreker of een Bosnische moslim met een eigen agenda. De Amerikanen spraken de geruchten tegen. Defensie was beledigd door de suggesties van journalisten. Geen deal, concludeerde het NIOD even gezagsgetrouw als stellig. Ook de onderzoekers konden zich zoiets gemeens niet voorstellen.

Historicus en psycholoog Eelco Runia heeft onlangs het boek Het Srebrenicasyndroomover dat NIOD-rapport gepubliceerd. Hij merkt op dat er heel veel gebeurde in Srebrenica, maar dat het op grond van dit onderzoek leek alsof Nederland daar eigenlijk part noch deel aan had. Ons overkwamen de gebeurtenissen, en net als bij Defensie gingen bij het NIOD de luiken vervolgens dicht. Volgens Runia was het NIOD de therapeut die zich te veel met zijn patiënt vereenzelvigt. Maar ik zou denken dat hij een algemenere Nederlandse kwaal te pakken heeft: die van klein land met een mooie internationalistische roeping en een zelfgenoegzame afkeer van macht en naargeestige werkelijkheid.

In de Joegoslavische wandeling heette de gang van zaken bij de VN 'de dubbele bevelslijn'. Nederland ging op in zijn rol als afzijdige vredeshandhaver. Eerlijke melk drinkende mannen en vrouwen met blauwe ogen. Zo waren de andere landen met blauwhelmen niet. Die hadden in het geniep een directe lijn naar hun bazen in Parijs of Londen. Dat waren de grote landen, zoals Van Mierlo destijds verwijtend zei en nu ook weer Voorhoeve in de krant. Srebrenica staat bekend als hét Nederlandse trauma van na de oorlog. Daar zouden wij onze onschuld hebben verloren. Maar zou het ook echt?

Srebrenica is niet zozeer Voorhoeve aan te rekenen, alswel exemplarisch voor de Nederlandse zeden. We maken nu het Griekse eindspel mee en tegelijk een migratiecrisis. In beide gevallen heeft Nederland ooit voluit ingezet op internationale afspraken, in de veronderstelling dat anderen net zo waren als wij. De euro was voor Nederland het voertuig van een federaal Europa, maar Frankrijk en Duitsland hadden zogezegd een dubbele bevelslijn:de munt was de uitkomst van een nationale ruil, die tussen de Duitse eenwording en de Franse vinger in de monetaire pap.

Wim Kok liet zich overtuigen dat de afspraken 'in marmer gebeiteld' waren. Tot dezelfde Fransen en Duitsers in 2003 een lange neus trokken. Kok was heel boos en Zalm kon niet slapen. Nog een crisis later werd dat andere bijbelse leerstuk van 'no bail out' - eurolanden moesten hun eigen broek ophouden - omgekat in een solidariteitsplicht met armlastige broederlanden. Ditmaal was Rutte diep teleurgesteld omdat anderen zich niet netjes gedroegen. Diepe teleurstellingen horen bij onrealistische verwachtingen. Nu zitten we met de brokken.

Met de grenzencrisis is het niet anders. Nederland was een enthousiast ondertekenaar van Schengen. Geen binnengrenzen betekende vrij verkeer, maar dan zouden de buitengrenzen wel beter beveiligd worden. De binnengrenzen verdwenen, minister Asscher oogstte hoon met zijn code oranje omdat hij de Nederlandse arbeidsvoorwaarden wilde verdedigen. Van de veilige buitengrenzen kwam niks terecht. Nu wil Hongarije een hek plaatsen en heeft Denemarken grenscontroles ingevoerd. In de pers zijn het slechte rechtse regimes, van Orbán in Boedapest en het nieuwe minderheidskabinet in Kopenhagen. Maar Denemarken heeft zijn begrijpelijke bekomst van aanslagen en Hongarije wordt overspoeld door migranten. En sinds Thomas Hobbes weten we dat de mens een wolf is en dat de eerste taak van de staat is zijn eigen burgers te beschermen. Niet fraai misschien, wel de realiteit.

Joris Voorhoeve is allang geen minister meer maar nog altijd een invloedrijk man. In zijn rol als voorzitter van de Adviesraad Vrede en Veiligheid meent hij dat gesproken moet gaan worden met 'groepen die het geweld niet schuwen' in het Midden-Oosten. Ik geef het je te doen. Dat is dus wachten op de volgende teleurstelling. Nederland is zijn onschuld kwijt maar soms vraag ik me af voor de hoeveelste keer ook alweer.

Martin Sommer is politiek commentator van de Volkskrant

Meer over