NBE en Future Shock soms mooi

Het Nederlands Blazers Ensemble en Future Shock. Werk van Altena, Brophy, Kuiper, Van Norden, Termos. Herhaling: 9 oktober, Paradiso, Amsterdam....

MUZIEK

In weinig landen is de afstand tussen geïmproviseerde en gecomponeerde muziek zo klein als in Nederland. De laatste decennia wordt er veel gedaan om snobistische vooroordelen te bestrijden, en stukken te creëren die de sterke kanten van beide benaderingen met elkaar verzoenen. Door musici die in beide disciplines werken, zoals degenen die dit programma vullen, en door uitvoerenden als het Nederlands Blazers Ensemble, die zorgen dat er na de toenaderingspogingen van de improvisatoren nu ook uit de 'klassieke' hoek oprechte belangstelling bestaat voor samenwerking.

Future Shock, de jazzrock-formatie van rietblazer Maarten van Norden en gitarist Jan Kuiper, werkte al eerder samen met 'serieuze' gezelschappen als het Aurelia Saxofoon Kwartet en het Nederlands Blazers Ensemble. Voor dit gezamenlijk initiatief met het NBE werden vijf nieuwe composities besteld, bij vier Nederlanders en een Australiër. Die werden soms gezamenlijk, en soms alleen door het NBE uitgevoerd. Daarnaast bracht Future Shock onaangevuld wat eigen werk. Het resultaat was altijd interessant, en soms interessant en mooi.

Het concert werd geopend met een oud nummer van Future Shock, Eye Catcher, dat eveneens door beide groepen werd gespeeld. Daarbij bleek dat het stuk zo'n behandeling best kon hebben, omdat vooral de blazerspartijen interessant genoeg waren om uitgebreid te worden, en dat het NBE aardig overweg kon met een swingende frasering. Het klonk frisser en boeiender dan het materiaal dat Future Shock alleen bracht, want ondanks de uitstekende ritmesectie klinkt de frontlinie vaak een beetje bestudeerd.

Jan Kuipers Turiya/Let's Kick Some Ass had in feite dezelfde opzet als Eye Catcher: funk en Afrikaanse ritmes, een jazzrock-thema dat wat complexer werd uitgewerkt, en vooral in het tweede deel georkestreerde percussiefiguren die inderdaad stevige schoppen uitdeelden.

Interessant, maar weinig meer dan dat, waren de uitvoeringen door het NBE van Altena's Mouthpiece en Termos' Nonet, omdat beide composities een duidelijk hoorbaar procédé volgden, zonder dat het gelukt was daarmee een levend, organisch stuk muziek te maken. Altena's quasi-koraal bestond uit lange, geleidelijk stijgende lijnen, weergegeven in zacht zoemende klanken, met veel herhalingen en kleine samenvattingen, een kaal effect dat snel verveelde. Nonet liet op iets te nadrukkelijke wijze zien hoe simpele figuurtjes, en bouwstenen als lange en korte noten, rusten en drukke toonmechaniekjes telkens anders gerangschikt kunnen worden. Ook hier ontbrak een aantrekkelijke, geïnspireerde aankleding, en de droge, schrille klankkleur stond ook het echte genoegen in de weg.

Een stuk geslaagder was New Blood van Gerard Brophy, die elementen als concreet geluid, samples, stijlcitaten uit B-filmmuziek, nachtclubschmalz en het werk van Miles Davis en Gil Evans samenvoegde tot een sfeervolle, John Zorn-achtige collage, geknipt voor een uitvoering door beide groepen. Het mooiste nieuwe werk was echter van Van Norden. Zijn Grosso Modo, een concert voor meerdere solisten, was niet alleen knap opgebouwd, het bezat een spanningsboog, ademende, vloeiende lijnen, uitgewogen dynamiek en fraaie samenklanken. Mogelijk was de expressiviteit te danken aan zijn jazz-achtergrond, maar hij bewees hiermee ook te kunnen overtuigen met uitgeschreven stukken in een ander idioom.

Frank van Herk

Meer over