NieuwsErfgoed Wilhelm II

Nazaten laatste Duitse keizer aasden op Huis Doorn

Met creatieve argumenten hebben de nazaten van de laatste Duitse keizer, Wilhelm II, geprobeerd Huis Doorn, diens laatste verblijfplaats, terug te krijgen. Historicus Jacco Pekelder sluit niet uit dat de familie uit nobele motieven heeft gehandeld.

Huis Doorn was na de Eerste Wereldoorlog het ballingsoord voor de laatste Duitse keizer, Wilhelm II. Beeld Raymond Rutting / de Volkskrant
Huis Doorn was na de Eerste Wereldoorlog het ballingsoord voor de laatste Duitse keizer, Wilhelm II.Beeld Raymond Rutting / de Volkskrant

Dat het kabinet-Rutte I in 2012 fors op cultuur bezuinigde, ontging destijds ook prins Georg Friedrich van Pruisen (44) niet. De achterachterkleinzoon van de laatste Duitse keizer, Wilhelm II, kwam in het geweer toen diens Nederlandse ballingsoord, Huis Doorn, door een subsidiestop getroffen dreigde te worden. ‘Als Nederland zich niet om zijn erfgoed bekommert, kan het Huis Doorn maar beter aan de familie Hohenzollern worden teruggeven’, moet de prins hebben gedacht. Met het ministerie van OC&W besprak hij vervolgens de mogelijkheden voor een teruggave van de Nederlandse bezittingen van Wilhelm II aan diens nazaten.

Hoewel beide partijen zich, volgens de advocaat van de familie, ‘welwillend en begripvol’ toonden, bleven de gesprekken zonder resultaat. Het ministerie was weliswaar bereid ‘om de familie te betrekken bij de Raad van Toezicht van Huis Doorn’, maar daarmee waren de grenzen van zijn welwillendheid wel zo’n beetje bereikt. Prins Georg Friedrich zag zich dus in 2014 ‘helaas genoodzaakt om formeel aanspraak te maken op het eigendom van Huis Doorn, de daarbij behorende inventaris en het omringende landgoed en twee daarbij behorende hoeven’.

Op 26 mei 2015 liet het ministerie de advocaat van de familie Hohenzollern weten ‘dat er naar de overtuiging van de staat geen reden is de aanspraak van uw cliënten te honoreren’. Voor zover bekend, is het daarbij gebleven. Een woordvoerder van de familie liet het Duitse weekblad Der Spiegel deze week weten dat ze ‘deze zaak sinds vijf jaar als afgedaan beschouwt’. Als reden voor deze terugtrekkende beweging noemt de woordvoerder het feit dat een mogelijke sluiting van Huis Doorn niet langer aan de orde is.

De correspondentie tussen prins Georg Friedrich, chef van de vroegere keizerlijke familie, en het ministerie van OC&W, is openbaar gemaakt nadat geschiedenisstudent Frederick Ykema – die momenteel in Schotland studeert – een beroep had gedaan op de Wet Openbaarheid Bestuur (WOB). In Duitsland heeft het initiatief van de prins de aandacht getrokken omdat hij ook daar (roerend en onroerend) familiebezit opeist dat in 1945 door de Russische bezettingsmacht is geconfisqueerd, en later aan de (Oost-) Duitse overheid is afgestaan.

Deze kwestie heeft zich sinds vorig jaar ontwikkeld tot een kleine pr-ramp voor de familie Hohenzollern. Politici en journalisten schamperden over de veronderstelde hebzucht van een familie die al door de Bondsrepubliek (en eerder door de Republiek van Weimar) schadeloos is gesteld. Tv-satiricus Jan Böhmermann, de Duitse evenknie van Arjen Lubach, heeft prins Georg Friedrich bijna een hele uitzending uitbundig gegeseld. En met de eis tot teruggave van genaast bezit heeft de familie zichzelf blootgesteld aan pijnlijk historisch onderzoek naar de steun die enkele Hohenzollern-prinsen aan Adolf Hitler hebben verleend. Alleen als kan worden aangetoond dat de erflater geen ‘aanzienlijke steun’ aan de nazi’s heeft verleend, kunnen diens nazaten aanspraak maken op teruggave van geconfisqueerd familiebezit. Voor de meeste media staat echter vast dat de Hohenzollerns niet aan deze deugdzaamheidseis kunnen voldoen.

Huis Doorn was na de Eerste Wereldoorlog het ballingsoord voor de laatste Duitse keizer, Wilhelm II. Beeld Raymond Rutting / de Volkskrant
Huis Doorn was na de Eerste Wereldoorlog het ballingsoord voor de laatste Duitse keizer, Wilhelm II.Beeld Raymond Rutting / de Volkskrant

Hebzucht of niet?

Met betrekking tot Huis Doorn geeft de Utrechtse historicus Jacco Pekelder, coauteur van het recentelijk verschenen boek De Keizer en het Derde Rijk, prins Georg Friedrich het voordeel van de twijfel. ‘In 2012, toen sluiting van Huis Doorn een reëel gevaar was, kwam hij met zijn claim. En drie jaar later, toen dat gevaar was geweken, trok hij die weer in. Daaruit maak ik op dat hij uit oprechte bezorgdheid heeft gehandeld, en niet uit hebzucht.’

Van die bezorgdheid klinkt overigens weinig door in de juridische onderbouwing van zijn restitutie-eis, erkent Pekelder. De advocaat van de familie voerde aan dat de Nederlandse staat Huis Doorn en zijn inventaris (aangevoerd in 59 treinwagons) in 1945 niet had mogen onteigenen omdat keizer Wilhelm II in 1918 als vluchteling in Nederland was toegelaten (waarvoor de familie Hohenzollern de Nederlandse staat ‘nog altijd uiterst dankbaar’ is), en dus de protectie van de Nederlandse overheid genoot. De vluchteling Wilhelm II mocht niet als vijand van Nederland worden aangemerkt. En hetzelfde gold – volgens de advocaat – voor diens zoon, kroonprins Wilhelm, die na het overleden van de keizer (in 1941) aantrad als pater familias.

Een ander argument voor teruggave van Huis Doorn was dat de Nederlandse regering met de opbrengst van de verkoop van ‘vijandelijk vermogen’ (zoals Huis Doorn) een deel van de astronomische kosten van de wederopbouw hoopte te dekken. De beoogde verkoop heeft echter nooit plaatsgevonden, en de Nederlandse oorlogsschade is – volgens de advocaat van de familie – ‘voor 176,5 procent’ gecompenseerd. ‘Elke eventuele legitimiteit van de inbeslagname is hiermede natuurlijk komen te vervallen.’

Nederland heeft die zienswijze dus niet gevolgd, en Pekelder denkt dat daarmee de kous wel af is. De bestaanszekerheid van Huis Doorn (als museum) lijkt voor langere tijd gewaarborgd, en de contacten tussen het bestuur van Huis Doorn en de familie Hohenzollern zijn nauw en vriendschappelijk.

Prins Georg Friedrich heeft het bovendien bij lange na niet zo bont gemaakt als zijn grootvader, prins Louis Ferdinand. De toenmalige troonpretendent probeerde de Nederlandse regering in 1951 tot inschikkelijkheid te bewegen met de suggestie dat de geesten in Duitsland rijp waren voor de vestiging van een constitutionele monarchie onder zijn leiding. Het toekomstige staatshoofd (hijzelf dus) zou de teruggave van Huis Doorn zeker op waarde weten te schatten, liet hij de eigenaar weten. Maar die toonde zich niet onder de indruk van deze creatieve gedachtegang.

Meer over