Navigatie-spionage in de zeventiende eeuw

Het boekjaar 1995 begint met Umberto Eco. De Nederlandse vertaling van zijn nieuwe roman, Het eiland van de vorige dag, komt op een voor hem en zijn uitgever gunstig moment....

Handig als hij is heeft Mai Spijkers, de baas van Bert Bakker èn Prometheus, gemeend buiten deze stroom te moeten blijven en zo de concurrentie vóór te zijn.

Is dat nodig, vraag je je af, als het om een Eco gaat, want de belangstelling voor het werk van de Italiaanse semioticus is in Nederland toch enorm? Ik ken eigenlijk niemand die indertijd De naam van de roos niet heeft aangeschaft (daartoe nog gestimuleerd door de film met Sean Connery als Franciscaner monnik).

Ook zijn tweede boek, De slinger van Foucault, werd hier flink verkocht.

Maar misschien is het Mai Spijkers niet ontgaan dat menigeen die dàt boek in huis gehaald had, er nooit doorheen gekomen was, zoals ik regelmatig hoorde, en dat zijn weinig plezierige geluiden voor iemand die een derde, kolossaal boek van dezelfde auteur wil uitbrengen.

Dat zijn de zorgen van een uitgever. Wat heb je als lezer aan Het eiland van de vorige dag?

Het begint goed. Een schipbreukeling, vastgebonden op een plank, treft het dat hij tegen een schip aanspoelt. Een verlaten schip. Het ligt ergens in de Stille Oceaan vlak bij een eiland. De schipbreukeling, Roberto de la Grive, klimt aan boord van deze Hollandse fluit en ziet vandaar het eiland, waarvan hij weet dat hij het nooit zal kunnen bereiken, omdat hij niet kan zwemmen. De ongelukkige is, zo denk je, dus alsnog ten dode opgeschreven, want hoelang hou je het vol op een verlaten schip waar je niet vanaf kunt?

Voor Eco is deze onmogelijke toestand een kolfje naar zijn hand, zo blijkt, want al spoedig ontspint zich een gecompliceerd verhaal op basis van de geschreven herinneringen van Roberto de la Grive die de verteller - zonder dit te verbloemen - wat onhandig in de vorm van een verhaal giet, zìjn verhaal.

Het aanvankelijke idee, dat Eco ons gaat plezieren met een verhaal à la Robinson Crusoë of de muiterij op de Bounty, lost al snel op in iets veel ingewikkelders.

Roberto de la Grive, een Italiaanse edelman in de zeventiende eeuw, die zich herinnert hoe hij aan een bloedig beleg in zijn geboorteland deelnam en later terecht kwam in de Parijse salons waar hem een vorm van hoofse beschaving werd bijgebracht - en hij de Liefde leerde kennen -, is in de Stille Oceaan terechtgekomen als spion.

De kern van het verhaal is de internationale concurrentie waarin de zeevarende mogendheden in die tijd gewikkeld zijn als het gaat om de navigatie. Het komt erop neer dat men geen betrouwbare methode had om de meridianen, de lengtecirkels op aarde, te bepalen. Daar wordt onderzoek naar gedaan, en als men het zelf niet doet, laat men het resultaat, zoals in dit geval, door een geheim agent jatten.

Hoe belangrijk die kwestie was voor het veroveren van nieuwe werelddelen (en nieuwe rijkdom) wordt door Eco in Het eiland van gisteren - dat zo heet omdat het vanaf het gestrande schip gezien nèt aan de andere kant van de datumgrens ligt - vervlochten met andere aspecten van die tijd en zo brengt Eco buitengewoon interessant materiaal boven water.

Of zijn boek ook als roman geslaagd is, wordt in belangrijke mate bepaald door de mate waarin hij uit de avonturen van Roberto de la Grive iets meer weet te brouwen dan een spel dat de schrijver met de door hem achterhaalde of verzonnen historische gegevens speelt. En eerlijk gezegd heb ik dat 'iets' niet kunnen ontdekken. Wie het leuk vindt om langdurig opgescheept te worden met de toenmalige navigatieproblemen, zal daar minder moeite mee hebben dan ik, te meer omdat hij voldoende couleur locale krijgt aangeboden om zich die tijd en haar zeevaartproblemen eigen te maken. Maar wat het genieten hìervan weer in de weg staat, zijn de 'wetenschappelijke' uitweidingen van Eco, waarin ook nog eens zijn verteltheoretische lessen schuilgaan.

Het eiland van gisteren wekt dan ook, net als De slinger van Foucault en in zekere zin De naam van de roos, de indruk maakwerk te zijn, een met jongensachtig plezier bijeengeknutseld geheel, waaraan een ziel ontbreekt, de noodzaak om iets dat we nog niet weten in romanvorm duidelijk te maken, een boek dat je wilt lezen en herlezen, omdat er iets aan de orde gesteld wordt waarvan je vermoedt dat het zich met de nodige inspanning laat doorgronden. Er valt aan dit boek niet zoveel te doorgronden en dat is voor literaire lezers zelden een genoegen (Bert Bakker, ¿ 45,-; ¿ 65,- gebonden).

Het hoeft geen betoog dat een ànder boek, dat ik kort voor Kerstmis signaleerde ,die door mij gewenste literaire kwaliteit wel ten volle bezit. Dat is Oblomov van Ivan Gontsjarov uit 1859, waarvan Arthur Langeveld een nieuwe vertaling heeft gemaakt. Het boek heeft zo'n reputatie, dat ik er jarenlang om heen gelopen ben. Het werd, zelfs door de o, zo nuchtere Karel van het Reve in zijn Geschiedenis van de Russische literatuur, zo geprezen dat ik bang was alleen nog maar teleurgesteld te kunnen worden. Nu ik het dan eindelijk gelezen heb - en van mijn schuldgevoel verlost ben - kan ik slechts beamen wat al die grote geesten al over Oblomov gezegd hebben.

Wat een boek! En wat een verrassing! De verschrikkelijke luiheid van Ilja Iljits Oblomov - die zoals me verteld was de essentie van dit meesterwerk uitmaakte - blijkt zo ingenieus door Gontsjarov te zijn 'uitgewerkt' dat er een wereld van psychische diepgang wordt blootgelegd, waar geen geleerd zielkundig handboek tegenop kan. Oblomov toont een eeuwig type, net als Don Quichotte, Lolita, noem maar op, een man die bij het overschrijden van de grens tussen binnen en buiten - in het sociale verkeer - uiteen dreigt te vallen, net als Axel in de gelijknamige mooie roman van Bo Carpelan, of - op een iets ander niveau - de leraar Altena in Joost Zwagermans Buitenvrouw.

Oblomov is de verlegen mens, niet tegen de wereld opgewassen, maar niettemin gedwongen daarin te leven. Het liefst houdt hij zich afzijdig. Alleen de liefde, ja, daaraan kan ook hij zich niet onttrekken en dat levert ondanks de voor ons nauwelijks nog voorstelbare schroom waarmee hij zijn geliefde Olga benadert, schitterende bladzijden op. Ik waag me niet aan een uitspraak over de kwaliteit van de twee vertalingen, die nu voorhanden zijn. Deze is van Arthur Langeveld, maar in de Russsische Bibliotheek van Van Oorschot zit nog steeds de vertaling van Wils Huisman. Die beoordeling laat ik graag over aan kundige slavisten als Melchior de Wolff of Antar El-Mecky. Deze nieuwe editie kwam uit bij Veen (¿ 65,-).

Uit Rusland, ruim een eeuw na Oblomov, komt ook Dzjan, de roman van Andrej Platonov, die pas in 1964, ruim dertien jaar na de dood van de auteur in Rusland gedrukt mocht worden, maar die al in 1936 geschreven was. Platonov vertelt hierin het verhaal van een jongeman uit Toerkmenië die in Moskou gestudeerd heeft en naar zijn geboortestreek terugkeert om 'zijn' volk te redden. Deze Tsjagatajev, die op de valreep, vóór zijn vertrek nog even trouwt - heel merkwaardig - is iemand die verdriet als iets verachtelijks beschouwt en daarom besluit op zijn geboortegrond een wereld van geluk te grondvesten.

De verschrikkelijke ontberingen die hij vervolgens met zijn volk, een samenraapsel van verschoppelingen aan de grens van het absolute bestaansminimum, het hoofd te bieden heeft, helpen hem van zijn optimisme af, maar dat is niet per se wat dit boek zo bijzonder maakt (hoewel het je met de beelden van Tsjetsjenië in je hoofd de volslagen achterlijkheid van sommige delen van het Russische imperium weer eens inprent). Wat Dzjan zo bijzonder maakt is de indringende manier waarop Platonov onvoorstelbare menselijke ellende zichtbaar weet te maken.

In 1987 schreef de vertaler Kees Verheul in zijn nawoord bij Een meester in wording van Platonov uit 1987: 'Andrej Platonov (1899-1951) is in Nederland al lang geen onbekende meer.' Afgaande op wat er toen van hem was vertaald leek dat wel te kloppen. Het werd nog bevestigd door een aflevering van Literair Paspoort, dat in 1980 ten dele aan Platonov was gewijd. Maar of de belangstelling voor Platonov gebleven is, waag ik te betwijfelen. Misschien kan deze vertaling van Dzjan door J. R. Braat - het is een herdruk uit 1987 - opnieuw een impuls zijn om het werk van Platonov te lezen. Het is meer dan de moeite waard. De hoogtepunten uit zijn oeuvre, zoals Thomas Langerak in het nawoord bij deze vertaling schrijft, zijn Tsjewengoer (1929), De bouwput (1930) en Dzjan (1936), boeken die allemaal in vertaling beschikbaar zijn, net als In deze prachtige, grimmige wereld, De Antisexus, De verborgen mens. De Thuiskomst, De zee der jeugd en De stad Gradov, die door verschillende vooraanstaande slavisten werden vertaald. Djzan verscheen bij Pegasus (¿ 24,90).

Dat men zich in de Oudheid tamelijk uitbundig amuseerde met nogal obscene versjes die weinig aan de verbeelding overlieten, kan men gewaarworden in de Priapea, die door Harm-Jan van Dam werden vertaald. Ook oud-gymnasiasten leren hier woorden die ze op school nooit gehoord hebben, maar waarvan ze de betekenis in deze tweetalige editie nu kunnen achterhalen. 'Het ongewone van deze dichtbundel', schrijft de vertaler in zijn cultuurhistorisch interessante inleiding, 'is daarbij het lichtelijk monomane karakter: alle tachtig gedichtjes gaan over Priapus; de hoofdrol wordt er eigenlijk gespeeld door de stijve lul van de god en zijn permanente strijdkreet is ''neuken'''

Dat levert behalve veel antieke, maar springlevende porno, ook ingewikkelde versregels op als deze: Cum loquor una mihi peccatur littera: nam T/ P dico semper blaesaque lingua mea est, vertaald als: Mijn pen is krom en wil de letters steeds verdraaien:/ hij spelt steeds maar 'ik wil je koesteren, n aaien'. De bundel verscheen bij Athenaeum-Polak & Van Gennep (¿ 27,50).

Dirkje Kuik neemt ook geen blad voor de mond, zoals men kan lezen in haar verhalenbundel Piranesi & zijn dochter, die behalve herinneringen aan Utrecht en het varen op de Kromme Rijn, de stad uit naar de lustwaranden ten zuiden van de stad, ook het verhaal 'De terugtocht van generaal Faidherbe' bevat, waarin de lezer een uiterst soldatesk beeld krijgt van de negentiende-eeuwse Frans-Duitse oorlog. Maar over het algemeen gaat het er in dit boek heel beschaafd en kunstminnend aan toe. De etsen van de schrijfster die als illustratie zijn opgenomen, onderstrepen dat nog eens (De Arbeiderspers, ¿ 39,90).

Meer over