Natuur

Een groot kenner van de natuur ben ik niet. Dat is weleens jammer als je langs de kant van de weg iets ziet bloeien en je niet weet hoe het heet....

Martin Bril

Een rij bomen – oké.

Maar fijner is het om te weten dat het beuken zijn (te herkennen aan de gladde stam, het blad, het beukennootje en de late bloei), linden of eiken. Met eiken heb ik trouwens geen moeite, maar met linden nog wel, om van talloze andere bomen nog maar te zwijgen.

Dezer dagen staat er van alles in bloei. Mijn eerste oriëntatiepunt in deze is altijd ons tuintje, en het tuintje van de buurvrouw. Als haar camelia in bloei staat, duurt het niet lang meer of die van ons volgt. Daarna komen de prunus, wit en roze, en de forsythia, geel, gevolgd door de magnolia en de rododendrons. Niet dat we dit allemaal in ons tuintje hebben staan, maar ik ben er wel op gefocust. Intussen loopt ook de krent uit en worden de knoppen aan de kastanje steeds dikker. In het bos is nog meer te zien.

Kamperfoelie die uitloopt.

De bosbes die weer begint.

Bramen volop in blad.

Gisteren was niet echt een dag om in het bos te zijn, maar toch was ik in het Nationale Park De Hoge Veluwe. Veel andere mensen waren er niet en dat is altijd prettig. Wel trof ik een vrouw die, gekleed in een fluorescerende blauwe jas en een waterdichte broek, op haar buik aan de oevers van een vennetje lag – en daar schrok ik van, want het leek me op het eerste gezicht een lijk.

Moet ik weer hebben.

Ging het door me heen.

Maar het was geen dode, maar een levende vrouw en ze was in gezelschap van een fototoestel met een enorme lens. Ze hield de boel gericht op een borrelende partij kikkerdril in het water. Ik meld dat nu wel nonchalant, maar het duurde een hele tijd voor ik in de gaten had dat het om kikkerdril ging. Toen was ik al een meter of vijftig verder, want de vrouw was duidelijk niet van mijn aanwezigheid gediend.

Maar gelukkig speelde zich elders hetzelfde af en ik ging er eens even goed voor zitten. Het water was zwart van de kikkereitjes, het leek wel een dikke, pruttelende pap. Jammer dat er geen damp van af sloeg, maar ja, je kunt niet alles hebben. Hier en daar stak een kikker de kop boven het water uit. Niet zomaar kikkers, maar enorme kikkers, buitenaardse wezens, zal ik maar zeggen.

Ik haalde intussen met mezelf herinneringen op aan mijn kindertijd: kikkervisjes in een jampot, biologieles van meester Hoekstra, die – als hij het gezag in de klas kwijtraakte – zijn zegelring aan zijn vinger naar binnen draaide. Kreeg je dan een oorvijg, dan stond de afdruk van meesters ring in je wang. Ook bliezen wij, ik durf het bijna niet te zeggen, weleens een kikker op met een rietje. Maar dat waren kleine kikkers, en niet van die vuistgrote jongens die hier rond poedelden.

Ik liet mijn gedachten afdwalen naar het geluid van kikkers; dat schitterende kwaken dat een zomeravond zo mooi kracht kan bij zetten en daarna was het nog maar een kleine stap naar krekels: die hoor ik eigenlijk het liefst van alle dieren; het zagende, rinkelende, ritmische geluid van de hete zomer die nog heel ver weg is. Maar wie geduldig wacht, komt er vanzelf in terecht. Dat immers is de logica van de seizoenen.

Meer over