'Natuurbeschermers ervaren een zekere barbaarsheid'

Matthijs Schouten (58), bioloog, filosoof, bijzonder hoogleraar in Wageningen en Ierland, huisdenker van Staatsbosbeheer: 'Ik heb weleens voorgesteld om alle Nederlanders een brief te sturen, namens alle natuurorganisaties. Met daarin de vraag: 'Wij geven u een lijst met honderd soorten. Met het huidige budget kunnen we ze niet allemaal in stand houden. En u mag kiezen wat mag uitsterven: de koekoek of de kievit? De kamperfoelie of de dotterbloem?' Zo maak je het concreet. Begrijpt u? Biodiversiteit, dat is een abstract begrip, dat is niet gekoppeld aan wat je buiten kunt zien, voelen, aanraken. Dus zeggen mensen: het zal allemaal wel. Maar als wij ergens bomen omhakken om een bos te beheren, dan moet je eens kijken wat er gebeurt. Dan blijkt dat mensen verbonden zijn met plekken. En dat ze daar aan hechten.'


De vraag was: hoe kan het dat een grote volksopstand is uitgebleven naar aanleiding van de ongekende bezuinigingen op natuurbeleid (40 procent op het jaarlijkse natuurbudget) in Nederland?


Dit is een van de antwoorden, vermoedt Schouten. 'Een begrip als biodiversiteit is weinig begeesterend. En Ecologische Hoofdstructuur, dat hadden ze al helemaal nooit moeten bedenken. Dat had moeten gaan over de groene longen of de groene aderen van Nederland. Iets wat je kunt voelen en ervaren.'


Schouten heeft bij Staatsbosbeheer de recente turbulentie rondom de bezuinigingen en het debat over de Oostvaardersplassen nadrukkelijk ervaren. De ecoloog en filosoof houdt zich al twintig jaar bezig met het 'natuurbeeld' dat zowel de westerse als oosterse mens erop na houdt. Het duiden van de sentimenten in de samenleving over natuur behoort min of meer tot zijn takenpakket en dezer dagen draait hij overuren.


'We leven in een grimmige tijd, waarin sentimenten als pop-ups aan de oppervlakte komen en weer verdwijnen. Er is enorm veel wantrouwen, tegen de staat, tegen de instituties, tegen de achterkamertjes, tegen wetenschappers. De natuur- en milieubeweging is nu ook in de hoek gedrukt van de oude zuilen die je niet kunt vertrouwen. Het beeld is: de milieubeweging sjoemelt met gegevens en de natuurorganisaties zitten voor zichzelf dingetjes te doen in hun eigen terreintjes, waar gewone mensen niet in mogen. Een totaal irreëel beeld. De natuur die door natuurorganisaties wordt beheerd, beslaat 8 procent van het landoppervlak. Die natuur is er voor iedereen, van de gebieden van Staatsbosbeheer is 92 procent opengesteld. Je hebt het over meer dan 7 procent kwalitatief hoogwaardige ruimte voor 16,5 miljoen Nederlanders. Toch bestaat dat irreële beeld nu, dat is ingeschoven door belangengroepen.'


'De klassieke groepen die in de samenleving altijd hebben geroepen dat natuur hen in de weg staat. Dat is voor een deel de agrarische sector, waar het idee bestaat dat natuur de vooruitgang belemmert. Ik zou zeggen: leg de getallen eens naast elkaar: je hebt 7 procent hoogwaardige natuur, waar 16,5 miljoen mensen vrijelijk mogen komen. Daarnaast is 65 procent van het landareaal in bezit van 72 duizend agrarische bedrijven. Daar mag je helemaal niet vrijelijk in, de ruimtelijke kwaliteit is er niet al te best, zeker als boeren gedwongen worden om intensief te werken. Ik bedoel: het is wel van belang om de dingen reëel te zien. Ik heb niks tegen de landbouw - ik vind ook dat die oude tegenstelling tussen natuur en landbouw moet verdwijnen - maar dan moeten we wel van het idee af dat natuurbeschermers alleen maar voor zichzelf grond opslokken die eigenlijk aan de landbouw toebehoort.'


'Dat is dan een misvatting. Natuur heeft grote sociale en economische waarde. Alleen al de recreatie in natuurgebieden brengt jaarlijks zo'n 8 miljard euro op. Dat is bijna eenderde van de hele agrarische productie in Nederland. Maar het gaat niet alleen om meetbaar nut, en veel mensen voelen dat toch. Uit alle onderzoeken van de afgelopen tien jaar blijkt dat een grote meerderheid van de Nederlanders natuur echt belangrijk vindt. En dat ze zich er ook verantwoordelijk voor voelen. Maar goed, in de piramide van belangrijkheden zijn dingen aan het schuiven. Als je plotseling niet meer weet of je morgen nog een baan hebt, dan wordt de natuur even geparkeerd.'


'Die beelden zeggen niets over de toestand van de Nederlandse natuur. Maar het is waar: het zou kunnen dat mensen denken dat het wel goed gaat. Dat komt ook doordat natuurorganisaties sinds de jaren negentig, om het gevoel van malaise weg te krijgen, vooral laten zien wat er wel lukt. We hebben wel erg goede verhalen naar buiten gebracht. Het kan zijn dat mensen denken dat de zaakjes nu wel op orde zijn. Nou, dat is dus niet zo. De achteruitgang van de biodiversiteit in ons land is nog altijd niet gestopt. Het doel van het natuurbeleid dat planten en dieren die hier van nature waren, zich zelfstandig zouden kunnen handhaven, hebben we nog niet bereikt. En dat zal ook niet lukken als we die Ecologische Hoofdstructuur niet afmaken.'


'Ja. Ik hoor ook weleens: als dit dier hier uitsterft, dan zit het misschien nog wel in Duitsland. Als mensen in ieder land zo zouden redeneren, dan ben je snel klaar. Wat mij blijft verbazen is dat veel mensen niet bereid zijn vooruit te denken. De scenario's over klimaatverandering en over de achteruitgang van de biodiversiteit zijn overduidelijk, maar mensen hebben blijkbaar niet het vermogen om zich erin te verplaatsen. Deze tijd is ook heel inconsistent, want dezelfde mensen die de wetenschap niet vertrouwen zeggen: het zal zo'n vaart niet lopen, de wetenschappers vinden wel een oplossing. Ik heb zelf geen kinderen, maar als ik kinderen zou hebben zou ik me ernstig zorgen maken over hoe de wereld er over dertig jaar uitziet.'


Toch, zegt Schouten dan: 'Ik heb nog wel hoop. Ik merk dat mensen in natuurbeschermingskringen nog niet bekomen zijn van de schok. Ze zijn nog volledig stupéfait door wat ze ervaren als een zekere barbaarsheid. Maar ik vermoed dat de groene sector nog wel van zich zal laten horen. Ik zie nu ook meer en meer reacties komen uit de samenleving. Ik heb nog altijd het idee dat dit een tijdelijke dip in de beschaving is.'


Dat optimisme ontleent Schouten vooral aan de veranderingen in het beeld van de natuur in het Westen, in pakweg de afgelopen veertig jaar. 'Er is veel ten goede veranderd. Tot begin jaren zeventig was het westerse beeld van de natuur zuiver instrumenteel. De natuur moest vooral gebruikt worden voor de mens, ze leverde de grondstoffen voor onze economische behoeften. '


'Dat beeld is in de jaren zeventig en tachtig, toen de ecologische crisis overduidelijk werd, wat bijgesteld. Een andere grondhouding tegenover de natuur kwam naar voren. In de lijn van het rentmeesterschap. In die filosofie mag de mens natuur gebruiken, maar behoort ze de mensen niet toe. Dat beeld heeft een oude, religieuze context en kreeg in de jaren zeventig een meer seculiere invulling. Door de club van Rome, door het Brundtlandrapport en het opkomen van de duurzaamheidsgedachte. Het simpele idee dat ook toekomstige generaties moeten kunnen overleven op deze planeet.'


Nog meer reden voor optimisme, voor Schouten. 'In onderzoeken, in Nederland, komt de laatste jaren permanent naar voren dat het overgrote deel van de mensen zichzelf is gaan zien als onderdeel van de natuur, en dat de mens daarom dus ook verantwoordelijkheid draagt. Dat was veertig jaar geleden toch echt niet zo.'


Zijn eigen natuurbeeld werd gevormd in zijn jeugd in Limburg. 'Ik groeide op in een boerendorp en als kind verbaasde ik me er al over hoe sommige mensen omgingen met dieren. Ik weet nog dat ik me afvroeg: mag je elk dier zomaar doodmaken, is dat dier dan niet van zichzelf? Als ik een ree zag, had ik niet het idee dat die ree van mij was. Ik groeide ook op met de ruilverkaveling, ik zag het landschap dramatisch veranderen. De bossen waarin ik als kind rondzwierf verdwenen. Ik vroeg me af: van wie is dan dat alles, van wie is eigenlijk de natuur?'


In het dorp kreeg Schouten maar weinig respons op zijn vragen. 'Ik werd toch wel gezien als een zonderling. Maar toen ik biologie ging studeren in Nijmegen kwamen dit soort kwesties wel aan de orde. En nu, een aantal decennia later, zijn er toch veel mensen die zich vragen stellen over de rechten van het dier en de intrinsieke waarde van de natuur.'


Schouten kwam, vanwege de vragen die hij zich stelde en via 'allerlei filosofische verkenningen' uit bij het boeddhisme. 'Daarin wordt heel simpel gezegd, als eerste regel: dood geen enkel levend wezen dat kan voelen. Omdat het leven het kostbaarste bezit is van elk levend wezen.' Hij werd, een logisch gevolg, ook vegetariër.


'Ik verzet me vooral tegen het beeld dat de natuur er alleen voor ons is. Ik vind dat we respect moeten hebben voor de grotere gemeenschap van levende wezens. Wij zijn maar één soort, maar we nemen ontzettend veel ruimte in beslag. Ik snap heel goed dat sommige boeren klagen over overlast van ganzen. Aan de andere kant: die gans is ook een levend organisme dat een plek zoekt. En wij hebben al zo veel plek ingenomen.'


'Dat is een lastig debat. Omdat we de dieren er zelf hebben ingebracht. Dan heb je toch ook een soort zorgplicht. Wanneer komt het moment dat dieren volledig zijn gededomesticeerd, wanneer zijn ze weer wild? Ik bedoel: wij hebben ooit konijnen naar Australië gebracht. De vraag is of er nu nog een zorgplicht is voor elk konijn in Australië? Er zijn weinig mensen die dat zullen vinden.


'Ik heb wel met enige verbazing naar het debat over de Oostvaardersplassen gekeken. Ik ga ervan uit dat de critici oprecht betrokken zijn bij het welzijn van de dieren. Maar ja, dan zou je de lijn consistent moeten doortrekken. Maar ik heb niemand gehoord over alle reetjes die vrij rondlopen en ook vaak doodgaan in de winter. En er worden nu allerlei maatregelen genomen waardoor het welzijn van dieren in gevaar komt. Als je de corridors tussen natuurgebieden niet afbouwt, waardoor dieren en planten vrijelijk kunnen migreren, dan zullen er op allerlei plekken wilde dieren gevangen zitten in hun eigen gebied en kunnen er hele populaties uitsterven.'


'Laten we nu niet doen alsof natuurorganisaties heel Nederland tot autonome natuur willen verklaren. Zeker, Staatsbosbeheer heeft zich ingezet voor meer natuurlijke natuur. Maar die is er maar op een paar plekken. In de Oostvaardersplassen, in de Millingerwaard tot op zekere hoogte, en nog een paar plaatsen. Verder houden we ons met het hele palet bezig: van groene recreatie rondom de stad, tot bossen, heidegebieden en blauwgraslandjes. Overigens is er toch nog een flinke minderheid aan Nederlanders voor wie de natuur best wilder mag. Een student van me heeft het onderzocht. Hij kwam tot de conclusie dat zo'n 12 procent van de Nederlanders erg houdt van wilde natuur. Maar de meeste mensen willen van alles wat: wilde natuur waarin ze een beetje kunnen verdwalen, en daarna moet er toch onmiddellijk weer de vertrouwde, veilige ruimte zijn. Dat wil zeggen: de bekende natuur die hoort bij het oude cultuurlandschap, de heide, de boomwallen, de heggen, de lanen, met een kerktoren in de verte en een eik waaronder grootvader nog een pijp heeft gerookt. Het vervelende is: ook dat landschap staat zwaar onder druk.'


En dan, tegen het einde van het gesprek, wordt Matthijs Schouten toch nog even boos. 'Waar ik echt wakker van heb gelegen is dat het steeds moeilijker wordt de dialoog te voeren. Mensen die met argumenten komen tegen al te bruuske bezuinigingen op natuur worden uitgemaakt voor mastodonten, linkse hobbyisten of voor elitaire intellectuelen. Zo sluit je mensen uit in het debat, niet omdat hun argumenten niet kloppen, maar omdat ze anders denken dan jijzelf. Daar valt voor mij de beschaving uit elkaar. In een beschaafde samenleving hoort ook de minderheid een stem te hebben. Daar speelt naast de fanfare ook het orkest van de 18de eeuw. Daar moet ook dat wat niet kan concurreren op de markt gehoord worden. En daar moet ook naar dat wat zelf geen stem heeft, zoals de natuur, geluisterd worden.'


Meer over