Naomi, Naomi, lieve, lieve Naomi De magische wereld van Azzedine Alaïa

Nonnen zijn voor Azzedine Alaïa 'het summum van elegantie', en 'de mooiste modeshow' ziet hij in het Vaticaan. Maar bovenal wordt de Franse couturier geïnspireerd door schilders en schrijvers - en door Naomi Campbell natuurlijk; haar lichaam keert terug in alle paspoppen van de grote Alaïa-expositie in het Groninger Museum....

WAAR IS Papa, weet iemand waar hij is? Hij is bezig, natuurlijk, Monsieur Alaïa is altijd bezig. Hij zet een dorade in de oven, speldt urenlang stof op een van zijn geduldige modellen, complimenteert clièntes in zijn boetiek ('u past er heus wel in'), staat even stil bij een schilderij van Julian Schnabel of een buste van César. En anders is hij in slaap gevallen op zijn werktafel in de studio - Maria Callas, of gewoon een stem van de straat, zingt voort in zijn hoofd.

Azzedine Alaïa doet alles tegelijk, en dat ook nog eens overal. Maar overal is in dit kolossale negentiende-eeuwse pand in de Parijse Marais, ooit een dependance van de Bazar de l'Hotel de Ville, ook echt overal. Wie de route van de boetiek naar de keuken neemt, gaat over vier trappen rond een ouderwetse liftschacht (en aait daar drie hondjes en drie Perzische katten), gaat door een deur en staat ineens buiten op een dak, opent een paar meter verderop andermaal een deur en belandt vervolgens in een gang die doodloopt op de kleine witte keuken van het modehuis.

De vader des huizes, als altijd gekleed in een van zijn driehonderd zwarte Chinese pyjama's, is vanochtend naar zijn favoriete vishandel geweest, op de Rue du Bac. Daar hebben ze vis. . . zó lekker, à se taper le cul par terre ('om je kont tegen de grond te slaan'). Alaïa komt graag op de markt, overal op de wereld kan hij aan de kraampjes precies zien wat de bevolking écht nodig heeft. En hij wil natuurlijk álles begrijpen, dat is het eigenlijk, opgaan in alles wat hem dierbaar is, in Venetië, in New York, in Londen, en hier aan tafel.

Alaïa voert twee gesprekken tegelijk, hoort wat aan de andere kant van de tafel wordt gezegd over Callas (droeg Dior-jurk) en de douane op JFK in New York (zeikerds zijn het), en houdt in de gaten of zijn gasten zich niet in een graatje verslikken. Hij vraagt zonder woorden, met zijn hele gezicht of het lekker is, en geniet zonder woorden van het antwoord. Hij is een spons, hij is een papegaai, en vandaag is hij zelfs een beetje ziek.

Dit is de Familie Alaïa - Azzedine is baas over een twintigtal assistenten, naaisters, zomers en verkopers, maar is ook hun vader en grote broer. Wil Hans, een van zijn drie assistenten, een vrije dag om eindelijk weer eens bij zijn vriendje te zijn? Waarom? Frank kan toch gewoon mee-eten? Alaïa werkt beneden, woont boven, is hier altijd. Hij heeft liever dat zijn mensen een dag komen en niets doen dan dat ze helemaal niet komen. Neem nog wat vis, heb je de salade al geproefd?

Naomi Campbell noemde Alaïa al Papa toen ze tiener was - ze woonde drie jaar bij hem - en is dat blijven doen. Haar carrière als topmodel is bij hem begonnen, in zijn vorige huis aan de Rue de Bellechasse, ver van haar ouders in Londen. Ook Stephanie Seymour, die liever bij Alaïa in het souterrain trouwde dan in de Ritz, is hem Papa gaan noemen. 'Veel modellen kwamen hier al toen ze nog meisjes waren', zegt Alaïa. 'Ze liepen de grote shows en hadden hier niemand. Dit werd hun familie.'

Ook al heeft de koning van de second skin, van de nauw sluitende dameskleding die mag behagen, legio aantrekkelijke/beroemde vrouwen in de kleren gehesen - Cindy Crawford, Grace Jones, Madonna, Diana Ross, Tina Turner, Greta Garbo, mevrouw Mitterrand - Naomi is voor Alaïa een norm geworden. Zij en alleen zij hoeft niet te betalen voor haar kleding.

Naomi, Naomi, lieve, lieve Naomi. Als ze morgen naar de opening van de tentoonstelling ALAIA! komt, in het Groninger Museum, zijn er 121 Naomi's in één gebouw. Die ene staat naast Azzedine, de anderen zitten verborgen onder de creaties die hij sinds 1979 maakte: die 'zweven' op poppen die zijn gevormd naar Campbells lichaam.

Maar: Alaïa ontwerpt niet louter voor een perfect lichaam! 'Perfect gevormde lichamen zijn vaak juist moeilijker te kleden dan lichamen met ''foutjes'', ik wil de indruk wekken dat het lichaam onder de jurk perfect is.' Nonnen zijn voor Alaïa 'het summum van elegantie'. In zijn geboortestad Tunis, waar zijn zus Hafida op een nonnenschool zat, kon hij de zusters urenlang op straat volgen. 'Zo mooi; een kruis danst op haar kleding, de enkels komen een beetje onder de kleding vandaan, de grote kappen beschermen het gezicht tegen de felle zon, dat bleke gelaat. Onder dat kostuum zat heus geen mooi lichaam, de kleding maakt de werkelijke perfectie; de mooiste modeshow is het Vaticaan.'

Maar ja, Sharon Stone vindt zichzelf al een beetje te dik voor een 'Alaïa'. Seymour, wier trouwjurk van zestienhonderd man-uren is te bewonderen in Groningen, is ietwat lyrischer: 'Alaïa is schilder, beeldhouwer, architect, alles-in-één, hij is de absolute kunstenaar.'

Alaïa zal de eerste zijn die dat tegenspreekt, maar hij is blij dat ALAIA!, in oppervlakte de grootste expositie ooit in het Groninger Museum, meer is dan alleen een verzameling kleding; ze zal 'de magische wereld' van de modeontwerper tonen. Zijn leven lang heeft hij zich omringd geweten door schilders, actrices en schrijvers - L'esprit, die telt. Daarom zijn er ook zeventiende-eeuwse tekeningen te zien en werken van Jean Michel Basquiat, Picasso, Cy Twombly en Andy Warhol. Ook Schnabel, vriend en ontwerper van Alaïa's boetieks in Parijs en New York, en Christoph von Weyhe, vriend en manager, zullen de muren sieren.

'Mode is géén kunst, laat dat duidelijk zijn', waarschuwt Alaïa. 'Een goed ontwerper kun je beter vergelijken met een goede kok. Meer is het niet.'

Kunst beïnvloedt hem terdege, maar hoe precies kan hij niet aangeven. Het is wat eenieder ervan maakt: hang een Basquiat uit 1982 naast een foto van Naomi Campbell in een Alaïa van 1989 en vergelijk, maar verwacht geen gelijkenis. 'Ik verwerk schilderijen niet bewust in mijn creaties. Soms zie ik dat een japon past bij Picasso, maar dat is altijd achteraf. Cirkelmotieven in mijn nieuwe collectie doen denken aan Twombly, maar eigenlijk wilde ik iets doen met de krullen uit het Arabische schrift. Alles wat ik zie en hoor heeft invloed: kunst is één van die dingen.'

Eén keer heeft Alaïa japonnen direct afgestemd op schilderijen, voor de Biënnale in Florence. Daar zat hij in een paviljoen met Julian Schnabel, die exposeerde met mega-schilderijen. De jurken werden extreem groot en hoog, het breiwerk aan de bovenkant werd blauw in plaats van het oorspronkelijke bruin.

MET SCHNABEL deed Alaïa ook de 'Tati'-collectie (1991). De New-Yorkse schilder raakte in Montmartre geïntrigeerd door het logo van Tati, 'het warenhuis met de laagste prijzen'. Hij verwerkte het rood-witte patroon in elf schilderijen en heeft daarna zijn vriend Alaïa ervan overtuigd dat hij het patroon moest gebruiken in een collectie. Die was wel over te halen: Alaïa is Tunesiër (net als de oprichter van de Tati-keten), en het geblokte logo deed hem direct denken aan de Tati-tas vol souvenirs die Hafida altijd meenam uit Parijs als ze bij de familie op bezoek kwam.

Alaïa is geboren onder het dak van zijn grootouders, van moeders kant. Wanneer precies laat hij liever in het midden: 'Ik houd niet van leeftijden. Ik ben zo oud als de farao's.' Maar als het waar is dat hij zestien was toen hij naar Parijs verhuisde, in 1957, moet hij nu 56 zijn.

Alaïa heeft het grootste deel van zijn jeugd doorgebracht bij zijn oma ('moeder') en opa ('vader'). Zijn moeder ('mijn zus') wilde dat hij, Hafida en zijn broer Abdel Hamide een goede school zouden genieten in Tunis. 'Anders was ik nu nog boer geweest in midden-Tunesië.'

Opa, politieofficier, zette Azzedine wekelijks af bij de bioscoop van een vriend voordat hij naar het bureau ging. 'Ik bleef de hele dag zitten, ik zag vier voorstellingen achter elkaar. Sommige films heb ik zestien keer gezien, ik kende ze helemaal uit mijn hoofd. Eerst bestudeerde ik een acteur, dan een liedje, dan weer een dans. Ik ken alle Egyptische films uit die tijd.'

Op maandag vertelde hij de film na aan zijn klasgenootjes. Dat kostte ze een kleurpotlood, met dansje erbij twee kleurpotloden, twee grote. Dan danste hij zijn idool Oum Kalsoum na, degenen die niet wilden betalen moesten achteraan staan. Alaïa kan nog steeds goed dansen, zegt zijn eerste assistent Maximiliano Modesti. Tina Turner zal dat beamen; zij kwam een keer zijn huis binnen toen Alaïa de Kiss-stapjes van Prince aan het doornemen was.

Azzedine tekende graag, wilde meer doen met al die kleurpotloden. Op de Academie voor de Schone Kunsten in Tunis mocht hij - hij was te jong, maar dat was te verdoezelen - de opleiding beeldhouwen volgen. En dus wandelde Azzedine elke ochtend naar school, met een map vol tekeningen onder zijn arm. Twee oudere dames in een groot huis zagen hem steeds voorbijkomen, en vroegen hem op een dag waar dat kleine mannetje toch steeds heen ging met zo'n grote map (Alaïa is nu zo'n één meter vijftig). Naar school, zei hij, en soms naar de kleermaker. Hij betaalde zijn studie met het zomen van rokken, eerst met hulp van zijn zus, die mode studeerde, later alleen. Vijf franc per rok.

De dames, twee zussen die in Parijs hadden gestudeerd, waren razend enthousiast: het werd hoog tijd dat er eens een Tunesische couturier opstond. Zij regelden dat Azzedine ('ik was toch een slecht beeldhouwer') aan de slag kon in een modehuis waar ze jurken van Dior kopieerden. Zelf oefende hij op een tweed jurk voor een vriendin, zijn eerste project. 'Die jurk was aan de onderkant zo strak dat ze niet zelf de bus in kon stappen. Ik had zo'n strakke jurk gezien op Egyptische plaatjes, maar ik had over het hoofd gezien dat er plooien in moesten.'

Via-via - zo zou het lange tijd doorgaan - kwam Azzedine terecht bij Christian Dior in Parijs. Vijf dagen mocht hij blijven, meer niet; het was de tijd van de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog, de Fransen hadden het niet zo op Noord-Afrikaanse types. Het handwerk leerde hij uiteindelijk in twee seizoenen bij het modehuis van Guy Laroche.

DE LIJST met contacten die hij uit Tunis had meegekregen bleek goudomrand. Bij de ene prominente vrouw leerde hij de andere kennen; hij was gek op ze, zij waren dol op hem, en iedereen wilde zijn creaties hebben. Zij hielpen hem zijn zaak opbouwen, hij leerde wat gewoon was in Parijs, met name van Arletty (de actrice uit Les Enfants du Paradis die nu meer dan levensgroot in zijn studio prijkt, 'de incarnatie van de Parijse chic'), en Louise de Vilmorin (schrijfster, dichteres, vriendin van André Malraux, 'een van de belangrijkste vrouwen van Frankrijk, van de wereld').

'Louise kon zich als een koningin gedragen. Ze had dezelfde trui als de conciërge, maar als zíj hem aanhad. . . Het is de manier waarop ze haar zakdoek vasthield, haar handschoenen aandeed. Ze had meer klasse dan iemand met de complete look van Chanel voor honderdduizenden francs.'

De modewereld is vernauwd tot enkel business, zegt Alaïa, een van de laatste Parijse ontwerpers die nog geen verantwoording hoeven af te leggen aan een geldschieter of oliemaatschappij. 'Ik houd ervan kleding te maken, ik houd niet van het systeem. Niemand vindt het nog echt belangrijk hoe een mouw precies inpast.'

In 1991 was de laatste show van Alaïa, maar hij en zijn assistenten (petits mains, kleine handen) leveren jaarlijks nog zo'n driehonderd jurken en jasjes af: voor een vijftigtal rijke particulieren en voor de prêt-à-porter (twintigduizend stuks). Cliënten blijven trouw. Bergdorf Goodman uit New York en Joseph uit Londen komen speciaal nóg een keer naar Parijs als Alaïa zegt dat het af is. 'Ik ben niet te laat, ik ben laat.'

Het goede ritme heeft de winnaar van twee Fashion Oscars (1985) nog niet gevonden, maar: 'Om de zes maanden een collectie brengen slaat eigenlijk nergens op. Ik maak geen kleren die na zes maanden weer uit de mode zijn, je moet iets kunnen dragen tot het uit elkaar valt.'

Zo is er eigenlijk maar één Alaïa-collectie - creaties met het strakke breiwerk met lycra waarmee hij in de jaren tachtig doorbrak, in rubber, en ook met het rustgevende 'Relax' (dat NASA in haar vloeren heeft verwerkt). Elke jurk is bedoeld om de vrouwelijke vormen te benadrukken. 'Een vrouw moet haar lichaam kennen. De beste delen moet ze goed naar voren brengen. Bij de een zijn het de ogen, bij de ander is het de manier van lopen. Kijk naar Naomi, zij loopt als een raspaard.'

Een prêt-à-porter komt op ruim vierduizend gulden, volledig maatwerk op zo'n achttienduizend gulden. 'De marge is nul', verzekert Maximiliano. Aan een maatwerk-jurk werken zes mensen, in een periode van zes weken, er zijn vijf pasbeurten nodig.

Alaïa praat niet over geld: 'Ik zou me schuldig voelen als ik rijk was.' Zijn grote Maison is 'een plek van passage' voor hem. 'Het is net als wanneer je in een museum voor een Velázquez staat. De tijd dat je ernaar kijkt, is het van jou. Dit huis is een luxe in armoede. Ik slaap gewoon met de honden op een matras.'

Met de drie kleintjes dan. Soms ook onder de verrière met de twee 'monsters', zoals zijn medewerkers Orson en Apho plachten te noemen, maar alleen omdat ze anders jaloers worden. Vannacht nog hebben de Engelse en Duitse dog al het papier uit het kopieerapparaat gerukt, eerder al waren twee stoelen verslonden. 'Orson? Gekregen van een vriend', zegt Alaïa. 'Fotograaf bij de Amerikaanse Elle. Al mijn honden en katten heb ik van vrienden gekregen.'

Zelfs zijn vrienden kunnen hem niet echt uit zijn werk halen. 'Ze zijn formidabel': hij gaat zelden naar hen, zij komen hier. Dan gaan ze bij de werktafel zitten, en Alaïa luistert naar zijn dierbaarste stemmen. Een vriendin vertelt de film na die hij eigenlijk had willen zien, een vriend leest het boek voor dat hij eigenlijk had willen lezen. Hij hoeft geen kleurpotlood te betalen.

ALAIA!, in het Groninger Museum, 7 december tot en met 8 maart. Daarna gaat de expositie de wereld rond, eerst naar Kobe en Tel Aviv.

Meer over