Namenmonument hoort in Westerbork

Van duizenden Joden voerde de weg naar de vernietiging niet door Amsterdam, maar wel door Westerbork.

DICK DE MILDT

Jaren geleden, toen ik nog in de Utrechtse wijk Oog-in-Al woonde, ontmoette ik op een dag een straatgenoot die mij daarvoor onbekend was. Zijn naam was Gerard van der Hal en zijn woning bevond zich op enkele steenworpen afstand van de mijne. Gerard van der Hal was een 33-jarige handelaar in scheepsartikelen en een oorlogsinvalide. Zijn benen waren in mei 1940 op de Grebbeberg onder hem weggeschoten. Hij was getrouwd met Klaartje en had een zoontje, Benjamin, van acht jaar oud. En Gerard, Klaartje en Benjamin waren Joods. Op 5 oktober 1942 verzocht Gerard van der Hal schriftelijk aan Wehrmachtsgeneraal Friedrich Christiansen om met zijn gezin vanwege zijn oorlogsinvaliditeit vrijgesteld te mogen worden van 'emigratie'. Op dat verzoek kreeg Van der Hal nooit een schriftelijke reactie, maar het antwoord staat in vet rood potloodschrift wel boven zijn brief geschreven: 'Jud ist Jud, ob mit, oder ohne Beine ....'

Op donderdag 22 april 1943 sloten de Van der Hals voor het laatst hun huisdeur achter zich en vertrokken, samen met zo'n 350 Utrechtse stadgenoten, vanaf het Centraal Station met extra treinen naar kamp Vught. Via kamp Westerbork werden zij met het zogenaamde kindertransport - het grootste dat Nederland ooit verliet - op dinsdag 8 juni naar Sobibor gedeporteerd.

Net als die van duizenden andere Nederlandse en Duitse Joden uit 'de provincie' voerde de weg naar de vernietiging van mijn straatgenoten niet door Amsterdam. Hij voerde door de plaats vanwaar alle deportatietreinen naar het Oosten vertrokken: Westerbork. Het is dan ook niet in het Amster- damse Wertheimpark waar de namen van de omgekomenen thuishoren, maar in het voormalige 'doorgangskamp' op de Drentse heide, hun laatste verblijfplaats op Nederlandse bodem. Dát is de locatie die zich bij uitstek leent voor een fysiek monument ter nagedachtenis aan alle Joden die uit Nederland werden weggevoerd.

Zo'n monument is in virtuele vorm al te vinden op het internet: het Digitaal Monument Joodse Gemeenschap in Nederland (www.joodsmonument.nl). Een prijzenswaardig en indrukwekkend initiatief, voor iedereen met een internetaansluiting vrij toegankelijk. Daar komt men ze tegen, de meer dan honderdduizend weggevoerden en vermoorden, vaak met hun laatste woonadres en niet zelden ook met aangrijpende verhalen over wie ze waren. Dat er daarnaast nog behoefte bestaat aan een tastbaar namenmonument kan ik me goed voorstellen. Maar dat men dat monument niet plaatst daar waar het thuishoort, vind ik onbegrijpelijk.

Op de appèlplaats van het voormalige kamp Westerbork heeft men destijds 102.000 stenen geplaatst voor de vanaf die plaats gedeporteerden. Als er ergens een plek is voor hun namen dan is het op die stenen. Beter nog: men zou hen wat mij betreft moeten vervangen door de 'Stolpersteine' van de Duitse kunstenaar Günter Demnig. Wie ooit, in Duitsland of in Nederland, over zo'n 'Stolperstein' is gestruikeld weet wat voor indruk dat achterlaat.

Het is mij een raadsel hoe het Auschwitz Comité dat over het hoofd heeft kunnen zien. En wanneer het voorgenomen monument werkelijk (ergens) in Amsterdam wordt geplaatst en niet op de enige plaats die daarvoor in aanmerking komt, dan lijkt mij dat een gemiste kans van historisch formaat.

undefined

Meer over