Nagelnieuw antiek

Mopperend plukt madame Dellaby aan een ragfijn, aubergine-kleurig tafellaken. Mooie stof ja, schampert ze. Maar het is dus gewoon een ramp....

We zijn in een smaakvol ingericht huis in een piepklein Belgische boerendorp. Voorbij Brussel, dus we spreken Frans. Een woonhuis zo trendy, stijlvast en comfortabel luxueus ingericht dat we er stil van worden.

'O, die komen uit België', is het vage antwoord dat we tegenwoordig geregeld krijgen als we in trendsettende chique interieurwinkels in Nederland vragen naar de herkomst van antiekerige lampen, vazen, gesmede kroonluchters voor kaarsen, glaswerk. Wat in meer opzichten een verbazingwekkend antwoord is. België? Maar veel van de verkochte stijlen en vormen doen helemaal niet Belgisch aan. En bovendien: zoveel puntgave antieke gebruiksvoorwerpen kunnen zelfs Belgische rommelzolders niet herbergen.

Totdat een insider ons attendeerde op de familie Dellaby in Wallonië, die de bron blijkt van veel moois. De spullen zijn echter niet antiek, maar nagelnieuw. De Delabby's maken ze namelijk zelf in hun familiebedrijf dat Jadis au Présent heet: 'Vroeger in het nu'.

Het bedrijf zetelt in Fernelmont in een 17de-eeuws kasteeltje, gebouwd op de fundamenten van een middeleeuwse voorganger. Aan de hof van dat kasteeltje staan stallen en de antieke woningen voor het personeel. In een van die woningen huist dochter Nathalie Dellaby. In de langgerekte stallen werken de Dellaby's aan hun collectie.

Een onverwarmde ruimte met uitzicht op binnenplaats, grasveld en slotgrachtje. We bevinden ons in het pre-industriële tijdperk. Overal werkbanken met priegelige gereedschappen, kleiovens, mallen voor glaswerk en glas dat nog moet worden afgewerkt. Hier worden nieuwe spullen geproduceerd op authentieke ambachtelijke manier, nauwkeurig in overeenstemming met antieke vormgeving.

In Nederland tonen woontijdschriften en interieurwinkels als belangrijkste nieuwe woontrend robuust houten meubilair in vale pasteltinten, gipsen ornamenten, glaswerk dat direct afkomstig lijkt van een schilderij van Jan Steen dan wel van een 19de-eeuwse eettafel. Dol zijn de Nederlandse trendsetters op grof, soms ongeschuurd hout tegen de muur en tegen het plafond, in grove streken gesausd.

Die Nederlandse trendsettende winkels blijken de klanten te zijn van de familie Dellaby. Terwijl de Nederlanders hun keuze voor deze spullen verklaren met een esotherisch verhaal over harmonieuze, natuurlijke kleurstellingen, of over de prettig-botsende combinatie van grove en aaibare materialen, legt vader Jean-Pierre uit op welke antieke voorbeelden hij teruggrijpt bij het ontwikkelen van producten.

Kijk, zegt Dellaby, en hij slaat een groot fotoplaatwerk open: statige Zweedse woonhuizen uit de 18de en 19de eeuw. Hier zie je dat ongeschuurde hout overal terug. Tegen plafonds en soms tegen muren. Zoals de plafonds in rijke Nederlandse woonhuizen werden voorzien van decoratief stucwerk, zo is het Zweedse hout in pasteltinten beschilderd met blaadjes en krulletjes.

Antiek Zweeds meubilair heeft bijna hetzelfde silhouet als zijn krullerige Franse broertje, alleen is het houtsnijwerk veel soberder. Het is vaalwit geschilderd, of grijzig blauw en groen. In deze vormen en kleuren herkennen we de trendy versies van nu, die eerst zijn gelakt en toen geschuurd, om een natuurlijk-versleten effect te krijgen. De Zweedse meubels zijn geraffineerd sober in hun vormgeving, in ornamenten en hang- en sluitwerk.

Dellaby, een Fransman, die vanwege zijn Belgische echtgenote hier is neergestreken, vindt veel meubelstukken vooral zo charmant omdat ze meer functies tegelijk in zich verenigen. De Zweden leven het grootste deel van het jaar binnenshuis, waar ze moeten woekeren met ruimte. Dus doet een stoeltje als je het op zijn kop zet, dienst als hielsteun waarmee je makkelijk je laarzen kunt uittrekken. En kan de eettafel voor zes personen worden verlengd tot er desnoods een dozijn gasten aan past.

De familie Dellaby bewoont zelf een verbouwde boerenschuur waarin alle grappen die ze zo mooi vinden zijn toegepast. Zo kunnen ze aan klanten laten zien wat ze maken. Vader en moeder ontwerpen meubels, spiegels, glaswerk, lijstwerk en panelen voor tegen de schouw, spullen die ze deels door derden laten maken.

Zoon Geoffrey verstaat de kunst van het op ambachtelijke wijze vervaardigen van allerhande tegels, die vrijwel gelijk zijn aan hun antieke voorbeelden. Vuurvaste haardtegels met leeuwenkopjes, bloementuiltjes en lauwerkransen erop. Die zijn zo leuk dat ook de Belgische koningin ze, via een tussenpersoon, heeft besteld. Geoffrey Dellaby maakt ook plavuizen in zachtroze en zandgeel, of in middeleeuwse patronen gelegde combinaties van beton en eiken.

De zoon maakt in de stallen bij het kasteel de mallen waarin hij de natte tegelklei perst. Uitgeharde tegels gaan de oven in. Over de receptuur wordt geheimzinnig gedaan: de Dellaby's zijn eindeloos bezig geweest uit te vinden welke klei nodig was en welke temperatuur om het authentieke resultaat te verkrijgen.

In een ander stuk stal heeft Nathalie Dellaby haar werkplek. Zij volgde de beroemde Brusselse opleiding Vander Kelen tot trompe l'oeil-schilder: ze maakt plafonds en panelen waarvan je de druiventrossen en de bloemen zo lijkt te kunnen afnemen. Zo modelleert ze ook klassiek stucwerk. Daarvoor was geen standaardgereedschap te koop, ze heeft dat zelf ontwikkeld.

Zelfs heeft Nathalie de techniek ontwikkeld om zeer hard nepmarmer te maken door beton met gips en verf te mengen. Dit ter vervanging van marmersoorten die niet meer worden gevonden. Haar materiaal is daardoor duurder dan echt marmer.

Moeder Mireille doet het deksel van een grote ton en laat van schrik een vloek horen. In de tonnen zitten houten mallen voor groot glaswerk: schalen, stolpen, vazen. Daarin wordt het glas geblazen. De groeven in het hout leveren typerende onregelmatigheden op in het glaswerk. Die mallen moeten ondergedompeld bewaard worden. Droog hout gaat namelijk werken, en dan veranderen de vormen. Mireille Dellaby opende een ton die potdorie halfleeg staat. Zo gaat de mal naar de haaien, gauw water erbij.

Thuis, op de voormalige hooizolder, staat het glaswerk, tussen de gesmede kroonluchters, de tegels, de tuinvazen. Jean-Pierre Dellaby mag graag naar het Rijksmuseum in Amsterdam gaan om de kunst af te kijken. Dat museum heeft een fraaie collectie antiek glas, vooral vanaf de 17de eeuw. Daar houdt Dellaby zijn kleurenwaaier naast, en zijn meetlint. De gespecialiseerde glaswerkers die hij inhuurt, verstaan de kunst het als vanouds te blazen, te smelten en zo nodig te graveren.

Zijn collectie omvat alles van heel lichtgroene grove Boheemse glazen, tot verfijnde Italiaanse met drakenstaarten erop, en het lompere 19de-eeuwse handwerk. Let maar eens op, zegt Dellaby, wanneer je mensen ziet drinken op schilderijen uit de Gouden Eeuw of van nog langer geleden: die gebruiken zulke glazen en zo'n karaf.

Overigens zouden leken er absoluut instinken: het verschil is niet te zien tussen deze nieuwe voorwerpen en het antieke voorbeeld. Dat geldt ook voor gesmede en witgeverfde kaarsenkroonluchters, voor het keramische werk en voor het 'Zweedse' meubilair. Het komt doordat alles precies wordt gemaakt zoals de ambachtslieden in voorbije tijden het deden.

Vinden klanten normaal gesproken misschien een enkel glaasje bij een antiquair, wat Dellaby betreft, kunnen ze met zijn glaswerk dekken voor 24 personen. Wat dat etentje dan moet kosten, vertelt hij er heel discreet niet bij: de verkoop in winkels is niet zijn zorg.

Meer over