Nachtportier denkt dat hij alleen is

THEATER..

Het mannetje klopt eens op de ramen. Tók-tók-tók klinkt het, tot groot vermaak van het publiek. Hier wordt dubbel bedrog gepleegd. Het kloppen is nep, want er zitten helemaal geen ruiten in het portiershok-frame op het toneel. Bovendien weet het publiek dat er niemand anders in het portiershok kan zitten, Herberts Aquarium is immers een solovoorstelling.

Servaes Nelissen speelt om beurten de nachtportier van het ziekenhuis en het oude mannetje dat waakt bij zijn doodzieke vrouw. Als de één achter een wandje in de nachtelijke stilte van het ziekenhuis verdwijnt, komt aan de andere kant van het wandje de ander tevoorschijn. Je wéét dat ze elkaar nooit kunnen ontmoeten, en toch hoop je met het oude mannetje dat het gebeurt. Omdat je hem zou willen troosten in zijn dapper gedragen verdriet, dat schriele meneertje met friemelende handen en de kleine grapjes. En omdat Servaes Nelissen met zijn theatrale miniatuurtjes de toeschouwers kinderlijk bereid maakt om alles te geloven wat hij suggereert.

We geloven dat de doos met blauwig licht op het portiersbureau een batterij bewakingscamera's is, waarop soms de sexy nachtzuster te zien is. We luisteren naar de tot leven gekomen bril van de portier die een somber 't-is-toch-wat-gesprekje aangaat met de eigenaar. En we zien in een zwaar ademende gele stofdoek de stervende vrouw van het oude mannetje.

Achteloos, om de verveling te verdrijven, laat Nelissen zijn nachtportier spelen met zijn bril, met het keyboard dat hij stiekem in een doos bewaart, met de spiegeling van zijn eigen gezicht in het denkbeeldige glas. Hij denkt dat hij alleen is. Maar achter het denkbeeldige glas zit een zaal vol mensen, allemaal even alleen in het aquarium van hun eigen gedachten.

Meer over