Naar New York

Een goede vriendin belde. 'Zouden jullie misschien voor drie weken met iemand in New York willen rui. . .' Ze was nog niet uitgepraat of ik riep al ja....

Na het telefoontje, toen ik onze Amsterdamse woning probeerde te bekijken met de ogen van een vreemde, wist ik het antwoord weer. Op een leeftijd dat andere mensen al kinderen op de middelbare school hebben, hadden wij pas sinds een jaar een vast adres. Dit was het eerste echte huis dat we huurden. Na tien jaar wonen in wagens, waarvan de eerste niet veel meer was dan een overdekt bed, en de laatste voor ons gevoel een paleis op wielen, hadden we ook nog drie jaar als 'anti-kraak' in Amsterdam geleefd. In totaal hadden we samen een stuk of vijftien tijdelijke adressen afgewerkt. Voor ons allebei gold dat onze partner de meest constante factor in ons leven was. En in het huis van deze twee figuren moesten een New Yorker en zijn vriend vakantie houden?

In onze woonkamer zag ik precies één bankje en één stoel, die allebei ooit bij het grofvuil vandaan waren gekomen. Verder zag ik een tafel die mijn ouders in 1957 hadden gekocht, en het bed dat ze speciaal door een timmerman hadden laten maken omdat ze allebei zo lang waren, mijn vader 1,80 meter. Ik zag een geluidsinstallatie, met boxen - echt goeie! - die we ook langs de straat hadden gevonden. Vijftien cd's, plus een draagbare televisie, een laptop, foto-apparatuur, en in mijn werkkamer op zolder een kast met boeken. Op onze vensterbanken stond geen enkele plant.

Het viel me nu pas op dat wij geen wasmachine hadden, we gingen altijd naar de wasserette van een aardige Pakistaan. We zouden wel een briefje neerleggen voor onze gasten, ze hoefden maar tweehonderd meter te lopen om er te komen. Maar, en dit leek me ernstiger, we hadden ook geen koelkast. Konden twee Amerikanen drie weken in leven blijven zonder koelkast?

Er volgde een periode waarin de koelkast bijna een obsessie werd. Ook al hadden ze twintig keer verrukkelijk bij ons gegeten, nu we geen koelkast bleken te hebben, waren we voor veel mensen uit onze omgeving zo'n beetje barbaren. 'Het is een eerste levensbehoefte', werd ons verteld, en als ik uitlegde dat mijn koelkast bij Albert Heijn stond, luisterden ze niet eens. Pas toen we eenmaal zo'n lelijke witte kist hadden aangeschaft, twee dagen voor ons vertrek naar New York, snapte ik waarom ik zoveel weerzin voelde: instinctief hadden wij altijd alleen dingen willen bezitten die je bij wijze van spreken op je rug kon meenemen. Een koelkast hoorde voor ons bij vastgenageld zitten. Het huis waarin wij woonden, moest een huis zijn om vanuit te vertrekken. Dat wat anderen een vorm van armoede leek, was voor ons de ultieme luxe. Zelf in een vrijwel leeg huis wonen, maar wel volop de kans hebben om te bekijken wat anderen zoal verzamelen; ik kan me nog steeds geen idealere manier van leven voorstellen.

Het eerste dat ik in New York zei tegen onze nieuwe vriend, een enorm grote en innemende zwarte man, was dat het bed in Amsterdam wel een beetje kort was. We overhandigden hem onze sleutelbos en bleven achter in zijn appartement, waarin alles anders was dan bij ons. Wij hadden de koelkast expres schoon en leeg gelaten, de zijne stond juist tot de nok toe vol. Het leefgedeelte van het appartement was een labyrint van boekenkasten, met een schat aan titels van boeken die ik altijd al eens had willen lezen. We zouden het nog moeilijk krijgen de komende weken; bleven we binnen of gingen we toch maar de stad in?

Ik herinnerde me dat ik onze gastheer, toen we elkaar van te voren aan de telefoon hadden, had gewaarschuwd dat het bij ons nogal sober was. 'Bij mij is het een zootje', antwoordde hij, 'overal staan dozen met boeken.' Maar nu we hier eenmaal waren, zagen we nergens een doos. We bekeken de kasten eens beter. De helft was fonkelnieuw.

Meer over