Naar een nieuwe Gouden Eeuw?

ALOM LIJKT zich een vadsige tevredenheid meester te maken van het Nederlandse volk. Dat wij het zo slecht nog niet doen, kunnen we inmiddels op elk niveau beluisteren, tot bij de regering toe....

Dat roept zeker gedachten op aan de Gouden Eeuw, toen onopvallend zakendoen begeleid door bestudeerde gewoondoenerij het richtsnoer vormde voor een allesoverheersende weelde. Italiaanse kooplieden, vaak van adel en zich voortbewegend in rijk gepavoiseerde stoeten, kijken hun ogen uit bij die eenvoud van de Hollandse collega's. En ze noteren verbaasd in hun dagboeken hoe in zwart laken gehulde handelaars zich eenzaam over de Dam naar de Beurs spoeden. Een enkele blijkt zelfs burgemeester te zijn, maar dat is nergens aan te zien.

Ook nu excelleert de Nederlandse industrieel in een gewiekste gewoonheid, die ons zeer behaagt en in het buitenland versleten wordt voor handzame onnozelheid. Daaraan draagt het Nederengels waartoe onze tycoons inmiddels zijn overgegaan, direct bij: 'We are', tenslotte, 'for the devil not afraid'. En Philips-baas Boonstra gaat ons voor in dat op zijn Hollands uitgesproken quasi-Engels, onverstoorbaar gekneed naar de Nederlandse grammatica en verlicht door de nieuwe leuze van zijn polderieke koopmansesperanto: 'Let's make things better.'

Vorig jaar kon men bij RTL een stoet van deze topondernemers zien meelopen aan de hand van Mylène Delahaye. Deze zwaarverdieners ten bate van henzelf en ons allen ontroerden sterk door hun onvoorstelbare harkerigheid en besliste gebrek aan belangstelling voor stijl, kunsten of ander vertoon: grijze gehaktbalpakken en te korte sokken, tegelijk giechelend en blozend vanwege die gekke, in hardroze verpakte juffrouw die over hun schouder wilde meekijken.

Deze in de Gouden Eeuw aangemaakte habitus van sobere eenvoud, gedemonstreerd door ogenschijnlijke sukkels die maar wat aanrotzooien, blijkt moeilijk te imiteren in het buitenland dat eerder parmantige haantjes kweekt en sinds kort ook fraai uitgelijnde hennen. Maar onze zakenvrouw van het jaar 1998 roept meteen voor de camera dat zij heel gewoon is, want zo horen wij het graag. Daarbij is er veel minder sprake van enige verlegenheid over al die vergaarde weelde dan Simon Schama met zijn Embarassment of riches als typering van onze Gouden Eeuw graag wou.

Veeleer gaat het om een sterk pragmatische houding, ingegeven door een nivellerend werkende burgercultuur die geen voordeel ziet in nodeloze pronk en praal, helden, keizers en kardinalen. Ook dat vermeende fundamentalisme van al die calvinistische dominees blijkt in de praktijk heel anders uit te pakken.

In plaats van star te moraliseren demonstreerden zij eerder een praktische overlevingsstrategie van sussen, gedogen en bemiddelen om het dagelijkse driftleven te stelpen. En wie herkent daarin nu niet ons gouden gedoogelixir als smeermiddel om werkelijke confrontaties uit de weg te gaan?

Hoe hardnekkig zulke collectieve mentaliteiten kunnen zijn, leert een vergelijking met de waardering van de zakenman in Vlaanderen. Al bij de aanvang van de Gouden Eeuw presenteert Bredero een potsierlijke Spaansche Brabander, voor de noorderling het prototype van de protserige koopman uit het zuiden. Met veel misbaar maakt deze in zijde gestoken handelaar ongewild duidelijk dat hij niet te vertrouwen is. Zijn evenknie vindt deze hatelijke karikatuur in de hoofdrol van een al meer dan tien jaar vertoonde comedy op de Vlaamse tv, F.C. De Kampioenen. Hier sponsort de luidruchtige handelaar een voetbalclub, uitgerust met een sierlijke feestsnor, veel goud om nek en polsen, verkeerde glimpakken en vooral met pretentieuze kletspraat, champagne en vrouwen. Ook hij is een karikatuur, maar wel een in wie Vlamingen van alles willen herkennen, om vervolgens de zoveelste anekdote te vertellen over een zakenlunch in Nederland met bezwete plakjes kaas op zelf te smeren boterhammen, bekroond door een feestelijk glas karnemelk en geserveerd door een loenzende bultenaar.

Een bezinning op ogenschijnlijke overeenkomsten tussen de Gouden Eeuw en nu levert weinig meer op dan een handvat om enig inzicht in de huidige ontwikkelingen te krijgen. De geschiedenis herhaalt zich - gelukkig en helaas - nooit en blijkt ook zeer ongeschikt als leerschool. Maar hoe zit het dan met die zelfvoldane tevredenheid van nu, vergeleken met de luierende regentenfamilies van toen? Op de lagere school werden we sterk geprikkeld, geheel in de geest van de negentiende-eeuwse verontwaardiging over de Jan Salie-geest, om afschuw te voelen voor al die vette en gepoeierde baasjes die geeuwend op hun kussens het zo welvarende land lamgelegd zouden hebben. Ze kochten een huis aan de Vecht, speelden croquet in aanstellerig aangelegde tuinen en bezochten bij tijd en wijle eens een hoer in de binnenstad.

Dat viel echter allemaal reuze mee. Die regenten belegden hun kapitaal en bleven daardoor wel degelijk economisch actief. Het is eerder zo dat de welvaart zich stabiliseerde door de groeiende concurrentie van het buitenland, dat door oorlogen en innerlijke verdeeldheden een belangrijke bijdrage leverde aan onze Gouden Eeuw. Bovendien waren spelletjes, potverteren en hoerenbezoek effectieve handelsinstrumenten in de netwerksfeer, meer nog dan nu, gezien de sterk toegenomen mogelijkheden om onder alle omstandigheden te communiceren. Desondanks lijkt een zekere zucht tot nietsdoen bij die regenten onmiskenbaar.

Dan doen onze leiders het nu heel anders. Zij zetten de verworven weelde om in een hyperactief uitbaten van de vrije tijd. De bodem van een zolang mogelijk te rekken en te verfraaien aards bestaan moet geheel leeggeschraapt worden. Terzijde gestaan door de medische opkalefaterindustrie en inventieve reisbureaus worden zinloze bergen beklommen en dito diepzeeën getrotseerd. De dood mag eenvoudig geen kans meer krijgen om toe te slaan, we zijn immers nog te druk bezig met leven, desnoods met een lichaam dat opnieuw geboetseerd is uit verkavelde organen. Deze nieuwe levensdrift markeert ook het einde der ideologieën. Hemels paradijs en andere beloningen uit een verlokkelijk hiernamaals zijn vervangen door meer aardse genoegdoeningen. En het antwoord op het zalige luieren van de Gouden Eeuwer is de zelfs voor onze meest recente voorouders volstrekt onbegrijpelijke doe-vakantie: komt er dan nooit een einde aan het geploeter van alledag?

Denkt men in overeenkomsten, dan is het steeds weer die allesoverheersende pragmatiek die het voornaamste stempel drukt op onze samenleving. Graag verwarren we deze met nobele principes als tolerantie, die beter ogen dan de simpele overlevingsdrift waar het in feite om gaat. Tolerantie was van meet af aan een besliste noodzaak om een samenlevingsverband te vestigen, dat in hoge mate afhankelijk bleek van internationale handel. En het poldermodel van het handige compromis en de sterke gevoelens van solidariteit is geboren in de laatmiddeleeuwse ambachtsgilden en bezegeld bij de stichting van de Republiek. Meester en knecht moesten zelf maar zien hoe ze eruit kwamen. En voor botsingen met de buitenwereld werd het stootkussen van een onnavolgbare gedoogcultuur ontworpen, waardoor de talrijke katholieken toch rustig hun eredienst konden uitoefenen, mits het maar niet al te zeer opviel.

Er werd van alles getolereerd in de Gouden Eeuw, vooral omdat er zo het juiste handelsklimaat van een optimale vrijheid ontstond. En de minder inventieve en draagkrachtige immigranten die zich naast rijke kooplieden uit het zuiden eveneens kwamen aanmelden, kregen een warm onthaal als arbeidspotentieel voor een krachtig te ontwikkelen bedrijfsleven. Er valt moeilijk aan te ontkomen om een recente maatregel voor de onmiddellijke tewerkstelling van asielzoekers in het linkmichelachtige licht van die fraaie tolerantie te bezien: wat aardig om ze meteen werk te geven! Maar is het niet zo dat alle betrokkenen zeer van zo'n pragmatische houding profiteren?

Misschien springt toch het eeuwenoude raffinement van de Nederlandse bestuursinstellingen het meest in het oog. Al die regeerlichamen droegen en dragen eerder het karakter van overlegorganen dan van daadkrachtige, besluitvaardige en onverbiddelijk opererende instituten. Na eindeloos uitstellen, vertragen en rekken, voor-, tussen-, wandelgang- en naoverleg, reeksen amandementen en voorlopige eindvoorstellen wordt een compromis in elkaar geknutseld dat op geen enkel van de ingediende voorstellen lijkt, maar toch net genoeg herkenningspunten bevat voor alle belanghebbenden. Ondertussen ontstaat een langdurig schemergebied waarin niemand weet waaraan hij toe is, wat er wel of niet besloten is of zal worden en waar het eigenlijk allemaal ook alweer over ging. Dat wordt in stand gehouden met de instrumenten van voorlopig en officieel gedogen (ik gebruik bestaande begrippen uit de ambtenarij), want er is ook een zeer gewenste onduidelijkheid over de aan te spreken verantwoordelijken.

Kortom, niemand weet wie de baas is en wat wel en niet ge- of verboden mag heten, waardoor een uiterst aangenaam klimaat ontstaat om van alles en nog wat te ondernemen. Deze techniek is uitvoerig in de Gouden Eeuw opgezet en beproefd, en we varen daar nog steeds zeer wel bij, of het nu om drugs gaat, Betuwelijnen of Schiphollen.

Maar eigenlijk is het zoeken naar overeenkomsten met de Gouden Eeuw uit hoop op of vrees voor een nieuwe, zinloos werk. Allang is het niet meer zo dat we pas kunnen bloeien als het bij de buren minder gaat. Integendeel: loopt het in Azië even mis, dan moeten we hier meteen korten op de kaviaar. Niettemin lijkt die in lange eeuwen opgebouwde geestelijke bepantsering vanuit de beperkingen en voordelen van een blubberige moerasdelta het steeds beter te doen in de wereld. Juist in het kader van de snel toenemende globalisering blijken het gedoogbalsem en de expertise in het smeden van compromissen uitermate effectief, nu minderheidsgroeperingen en andere nationaal gefrustreerden zo hevig tegensputteren.

Ook de warsheid om staatshelden te vereren lijkt heel aanstekelijk te werken, zeker als deze gepaard gaat met een vertederende (zelf)ridiculisering van onze gezagsdragers. Een minister gaat op zijn handen staan als hij het te warm krijgt. Een andere, die ons kapitaal moet vermenigvuldigen, blijkt uit voorzichtigheid een huurhuis te hebben. En dat Beatrix bij het plechtigste moment van het politieke jaar haar Claus tot tweemaal toe maant om zijn haar goed te doen, heeft de monarchie weer populairder gemaakt dan ooit.

Dat lijkt allemaal weg te vallen zo gauw het om sportprestaties gaat en nationale acties. Dan willen we weer de grootsten zijn en dat vooral luidruchtig laten blijken. Maar gaat het dan niet uitgerekend om exercities van in wezen gewone mensen? Zelfs bij deze triomfen van de gewoonheid verdwijnt de pragmatiek van het handige en weloverwogene allerminst: we slagen er regelmatig in om bij zulke gelegenheden het Oranje Boven weer ver buiten de grenzen uit te dragen. Tot aller tevredenheid. En afgunst elders.

Meer over