Na een leven als missionaris in den vreemde is Nederland wel wennen: ‘Iedereen tuurt op zijn telefoon’

In het Missiehuis wonen gepensioneerde missionarissen, terug in Nederland na een leven ver weg, in dienst van de katholieke kerk. Hoe kijken ze daar nu op terug? ‘Familie en kennissen vinden dat het misschien beter was geweest als je wat anders had gedaan.’

Jaap Stam
Een oud-missionaris leest de krant in de leeszaal van het Missiehuis.  Beeld Marcel van den Bergh
Een oud-missionaris leest de krant in de leeszaal van het Missiehuis.Beeld Marcel van den Bergh

Broeder Max Staudinger ligt opgebaard in de gebedsruimte. Op een tafeltje naast de baar liggen zijn loep, een gebedenbundel waaruit hij in zijn laatste dagen moed putte en zijn onafscheidelijke jas. ‘Een mantel van zorg die om zijn schouders hing en die hij anderen liefdevol omsloeg’, zegt overste Kees Maas.

De broeders van het Missiehuis in het Brabantse Teteringen nemen deze middag in een intiem samenzijn afscheid van broeder Max, later zal de uitvaart met genodigden volgen. Maas: ‘Vanochtend om half elf zei ik aan het slot van de eucharistie: ga heen in vrede. Omstreeks dezelfde tijd heeft broeder Max dat letterlijk genomen en is hij naar de overkant gegaan.’

Een medebroeder leest het gedicht Ik zoek een hand voor. De avond voordat Max stierf heeft hij langdurig diens hand vastgehouden. ‘Laat me niet alleen’, had die gefluisterd. Dat heeft hij gedaan tot broeder Max wegzakte.

Aan het slot schuifelen ze langs de baar, dopen een takje in wijwater en zegenen Max. Een uurtje later wordt zijn lichaam opgehaald en naar het UMC in Utrecht gebracht. Hij heeft zijn lichaam ter beschikking gesteld van de wetenschap.

Ze begeleiden hem tot aan de voordeur. ‘We zullen je nooit vergeten, denk ook een beetje aan ons’, zegt Maas. Nadat ze In Paradisum hebben gezongen, draagt hij Max over aan de chauffeur van de lijkwagen. Zijn medebroeders kijken de auto na tot hij is opgelost in de duisternis.

Uit alle windrichtingen zijn ze komen aanwaaien in zorgcentrum Zuiderhout, waar het Missiehuis deel van uitmaakt: uit India, Filipijnen, Indonesië, Ghana, Argentinië, Brazilië, Papoea-Nieuw-Guinea, Congo. Ze verkondigden er het katholieke geloof en bouwden kerken, scholen en gezondheidsposten. Met vijfenvijftig gepensioneerde missionarissen wonen ze in en bij het Missiehuis. Met zes kloosterordes zijn ze bij elkaar gekropen, in hun eentje zijn ze te klein geworden om een bejaardenhuis overeind te houden.

Werkten in de jaren vijftig nog tienduizend Nederlandse missionarissen in het buitenland, nu zijn dat er nog 284 volgens de laatste cijfers. De Nederlandse missionaris is hard op weg cultureel erfgoed te worden. Hoe is het leven in het Missiehuis, een katholiek eiland in het geseculariseerde Nederland? En hoe kijken de missionarissen terug op hun werk?

Een bewoner is 75 jaar, de rest ver in de 80, velen een eind in de 90. De meeste tijd brengen ze door op hun kamer, waar ze worden omringd door het verleden dat is opgeslagen in plakboeken, ordners en fotoalbums. Aan bezit hechten ze niet, hebben ze ook amper. Giften gingen naar de missie, evenals eventuele erfenissen. Sommigen wonen tussen de spullen van de vorige bewoner van hun kamer. Ze leven van hun AOW. De congregatie heeft al die jaren hun premie betaald.

Je had maar te gehoorzamen

Het Missiehuis was vroeger het grootseminarie ofwel de priesteropleiding van het Gezelschap van het Goddelijk Woord, dat nu met 22 man veruit de grootste groep bewoners vormt. Vijfhonderd priesters zijn hier gewijd, waarna ze wereldwijd werden uitgezonden. Toen ruisten er zwarte togen door de gangen, nu schuifelen gepensioneerde missionarissen er in hun gewone kloffie. Twee benedictijnen gaan nog traditioneel gekleed in pij. De fysieke achteruitgang wordt treffend verwoord door Wim Giesen, die 63 jaar in Brazilië heeft gewerkt: ‘Daar sprak ik een kerk met vijfhonderd mensen toe zonder geluidsinstallatie. Nu kan ik alleen nog maar fluisteren.’

Ook in het Missiehuis is de oorlog in Oekraïne niet ver weg. ‘Ik denk er de hele dag aan’, zegt Henk te Maarssen. Een broeder heeft zich laten ontvallen dat hij Poetin zou vermoorden als hij de kans kreeg. In de gemeenschappelijke ruimten bespreken de broeders zodra ze binnenkomen de laatste stand van zaken. Ze bidden vaak voor de doden, hun nabestaanden en voor de Oekraïners die angstig afwachten.

‘In deze tijd van duisternis en dramatische gebeurtenissen willen wij bidden om hoop’, zegt de voorganger van de eucharistieviering van 10 uur in de ruime kapel. Niet alle missionarissen kunnen meer voorgaan. De drie treden naar het priesterkoor waar het altaar staat, zijn voor veel van hen een te grote hindernis.

Veertig, vijftig jaar zijn de meesten weggeweest. Als je een halve eeuw hebt gewerkt in een omgeving waar in elke tweede zin een god wordt aangeroepen, valt het geseculariseerde Nederland rauw op je dak. Ook al zijn ze kritisch over de kerkpolitiek en de hiërarchie in de katholieke kerk. Het celibaat ‘was geen offer’, maar moet niet verplicht zijn. Vrouwen moeten priester kunnen worden, leken moeten meer bevoegdheden krijgen.

Wim Giesen: ‘Ga heen en vermenigvuldig u, daar hadden ze nooit een zonde van moeten maken, zei een Braziliaanse collega.’ Piet Barendse, 35 jaar missionaris in Brazilië: ‘Het gaat erom dat mensen leven volgens het evangelie. Ik ben een keer naar een stervende gegaan om het heilig oliesel te geven. Toen ik aankwam, bleek de koster dat al te hebben gedaan. Prima, als het maar gebeurt.’

Vanwege hun gezondheid kwamen ze terug; de zorg is hier beter en ze wilden hun medebroeders en anderen in het land waar ze werkten niet tot last zijn. Liever waren ze niet teruggekeerd, ook al roemen ze de verzorging en het comfort in het Missiehuis. Ze voelen zich een vreemdeling in eigen land, hun ziel is achtergebleven in het land waaraan ze hun hart hebben verpand.

Met verbazing kijken de missionarissen naar het Nederland van nu. De individualisering heeft wel erg hard toegeslagen, het aantal alleenstaanden is schrikbarend toegenomen, de eenzaamheid vinden ze soms zelfs voelbaar. Henk te Maarssen, die 57 jaar in Papoea-Nieuw-Guinea heeft gewerkt, waarvan acht jaar als bisschop van Kundiawa: ‘Iedereen tuurt op zijn smartphone, niemand is nog op de ander gericht.’ Barendse: ‘Ik heb het idee dat niemand meer ergens bij hoort.’

Het Missiehuis in Teteringen, gemeente Breda. 
 Beeld Marcel van den Bergh
Het Missiehuis in Teteringen, gemeente Breda.Beeld Marcel van den Bergh

Samen met zijn parochianen bracht Te Maarssen in de jaren zestig een verwaarloosde parochie in Papoea-Nieuw-Guinea tot nieuw leven. ‘Een grote, nieuwe kerk was de bekroning. De kerkwijding werd gevierd met tien dagen dansen, drie dagen retraite en een grote feestmaaltijd met zeven koeien, 45 varkens, een ton rijst, stapels suikerriet en bergen zoete aardappelen en groente, alles geleverd door de parochianen’, schreef hij destijds aan het thuisfront.

Het is dat gemeenschapsgevoel dat Te Maarssen mist in het Nederland van nu.

Piet Schellens heeft als provinciaal overste over de hele wereld missionarissen bezocht. ‘In het Missiehuis zitten we op een soort eiland. Wij zitten hier goed. Samen eten, samen bidden, samen recreëren.’ Te Maarssen: ‘We voelen ons sterk met elkaar verbonden. We zijn bevoorrecht.’ Overste Kees Maas: ‘We zijn aan elkaar verknocht en leven naar hetzelfde gedachtegoed.’

Bovendien zijn ze gewend zich aan te passen en de dingen voor lief te nemen. Deden ze in de missie ook. Was er geen vervoer, dan gingen ze te voet. Waar ze terechtkwamen, moesten ze maar afwachten en, eenmaal in de missie neergestreken, werden ze soms ‘weggegeven’ door hun bisschop voor een totaal andere taak. Of ze kregen een bestuurlijke klus in hun maag gesplitst terwijl ze liever midden tussen de gelovigen werkten. En dan had je maar te gehoorzamen.

Het rijke roomse leven

De missionarissen die in het Missiehuis hun oude dag doorbrengen zijn nog net uitgezonden tijdens de periode die het rijke roomse leven wordt genoemd, de tijd tussen 1860 en 1960, toen het katholicisme bloeide. Het was de tijd dat bij de slager, bakker, melkboer en kruidenier een collectebusje op de toonbank stond met een foto van de missionaris uit het dorp. De tijd dat het dorp melkdoppen en ander zilverpapier spaarde voor de missie en zijn missionaris uitzwaaide als hij vertrok.

In 1950 waren tienduizend Nederlandse missionarissen werkzaam over de grens. Een op de 550 Nederlandse katholieken was missionaris en een op de tien katholieke missionarissen in de wereld was een Nederlander, schreef Frans Wijsen, hoogleraar religie- en missiewetenschap in het blad Missie Nu, oktober 2019. ‘Fijne koppen met een hart van goud. Stoere kerels met een vlam in hun oog en met handen die wroeten en wijden’, aldus een tv-commentaar uit die tijd.

Bidden voor het eten.
 Beeld Marcel van den Bergh
Bidden voor het eten.Beeld Marcel van den Bergh

Ze vertrokken naar een missieland en keerden terug in een missieland. Barendse: ‘We lieten een vitale kerk achter met bloeiende gemeenschappen en veel actieve leken. De kerk in Europa is nu oud en vermoeid.’ Priesters uit landen waar zij het geloof hebben verkondigd, zijn nu nodig in Nederland om parochies hier overeind te houden. Op 1 januari 2021 waren in Nederland 315 buitenlandse katholieke religieuzen actief, van wie 206 zusters en 109 priester-religieuzen en broeders, volgens de koepelorganisatie Konferentie Nederlandse Religieuzen.

Marcel van der Vlugt, die dertien jaar pastoor was op Java, werd nadat hij in 1980 was teruggekeerd missionaris in eigen land. ‘Javanen hadden mijn werk overgenomen en op verlof in Nederland dacht ik: hier ben ik harder nodig. Het was een beetje de omgekeerde wereld.’

Met een enkele koffer was hij op Java van boord gegaan, het avontuur tegemoet. Van hun nieuwe land wisten de missionarissen amper iets, de taal spraken ze niet. En ook als een missionaris zich wel al een andere taal machtig had gemaakt, kon hij voor verrassingen komen te staan. Piet Barendse: ‘Ik sprak Portugees tegen de indianen in Brazilië. Later heb ik weleens gedacht: ze moeten er weinig van verstaan hebben.’

Ze kwamen in landen waar het geloof al was verspreid, de missiegebieden waren goeddeels ontgonnen. Hun voorgangers hadden voor God al een weg door het oerwoud gekapt en animisten ‘bevrijd’ van hun geloof in geesten. Niet dat ze in een gespreid bedje kwamen. Ook in een gekerstend gebied zijn de wegen van rode klei glibberig en levensgevaarlijk als het heeft geregend. En zijn er muskieten en slangen in een vochtig en heet klimaat. Elektriciteit en stromend water? Ze moesten maar afwachten of het er was in de afgelegen missiepost in de rimboe.

Toon Gelinck (37 jaar Ghana) begon in een dorp in een uithoek op tweeënhalve dag reizen met de auto van de hoofdstad Accra. De overste bracht hem erheen. ‘‘Hier is je missie’, zei hij. Ik zie niks, zei ik. ‘Dat klopt’, zei hij, ’die moet jij bouwen’.’

‘Wij zijn beschaafd, jullie zijn wilden’

Terwijl kerken in Nederland sloten, bouwden zij ze daar. Henk te Maarssen begon in 1962 als kapelaan in de bergen van Papoea-Nieuw-Guinea en ging te voet de dorpen langs. Een kleine dertig jaar voor zijn komst waren er twee van de eerste missionarissen vermoord. Ter voorbereiding van een viering omdat vijftig jaar eerder de eerste missionarissen waren aangekomen, volgde hij in 1984 met honderdvijftig mannen en drie vrouwen de voetsporen van de pioniers. Een tweehonderd kilo zwaar kruis torsten ze door regen en mist langs dorpen. ‘Het maakte een geweldige indruk. De leiders van de stammen spraken beloften uit om praktijken als stammenoorlog en bloedwraak op te geven’, schreef hij naar het thuisfront.

Piet Schellens was in de jaren zestig op bezoek bij een missionaris in Congo. Op een zondag had die de klok geluid, de mensen naar de kerk geroepen en zijn excuses aangeboden. ‘Hij zei: ‘Ik kwam met het idee: wij zijn beschaafd, jullie zijn wilden. Wij zijn gelovigen, jullie heidenen. Ik ben tien jaar hier en ik weet nu dat het niet waar is. Jullie omgang met de natuur en jullie voorouderverering, dat is ook een visie op het leven. We gaan het voortaan samen doen.’’

De geseculariseerde buitenwacht ging zich later afvragen of de kerk de derde wereld niet beter met rust had kunnen laten. Dat steekt de missionarissen soms. Dat ze in de steek zijn gelaten, is te sterk gesteld, het voelt meer onbegrepen. Te Maarssen: ‘Familie en kennissen hebben ergens wel waardering voor je werk, maar ze vinden ook dat het misschien beter was geweest als je wat anders had gedaan.’

Eef Leferink werkte bijna vijftig jaar in de Democratische Republiek Congo, dat Zaïre heette toen hij er voor het eerst landde: ‘Zieken verkommerden in de duisternis van hun hutje, melaatsen werden afgezonderd van hun familie’, vertelt hij. ‘De zusters gingen de dorpen af om de zieken te verzorgen en melaatsen naar het ziekenhuis te brengen. Kinderen konden tot dan toe lezen noch schrijven, catechisten begonnen een klasje om hen die vaardigheden te leren. Zusters, catechisten en ik waren allemaal geïnspireerd door het evangelie.’

Als Leferink alleen al terugdenkt aan alle uren dat hij de biecht heeft afgenomen, vindt hij zijn missie geslaagd. ‘Dat was niet zo vlug mogelijk afwerken, nee, luisteren, bemoedigen en door de vergeving mensen op een nieuwe weg zetten. Dat heeft heel veel mensen goed gedaan.’

De missionaris was pastoor, sociaal-werker en ontwikkelingswerker ineen. Hij getuigde van zijn geloof door zijn hand uit te steken naar mensen aan de rand van de samenleving. Barendse: ‘Je hielp ze waar je kon.’ Theo van der Leest (48 jaar Argentinië): ‘Je geeft mensen geen wijwater als ze geen drinkwater hebben.’

Pastoraal werk was de hoofdmoot: de biecht afnemen, de mis lezen, huwelijken inzegenen, dopen, de vorming van leken. Ze trokken van parochie naar missiepost, op de fiets als je mazzel had, met de auto als je nog meer mazzel had, ook wel met een kano of motorboot. Giesen, die een parochie bediende met 105 buitenposten die enkel bereikbaar waren via wegen met kuilen: ‘Dat kostte een Jeep en mijn ruggengraat.’

Geboren, gewijd, gestorven

In de vijftig jaar dat het Missiehuis een bejaardenhuis is, hebben de missionarissen jaarlijks vier, vijf medebewoners verloren. De paters van de Heilige Harten waren in 2020 nog met z’n tienen. In vijf weken verloren ze zes medebroeders, de meesten door corona.

Op het kerkhof van het Missiehuis zijn een kleine driehonderd missionarissen begraven. Eenvoudige zwarte gietijzeren kruisen staan stram in het gelid, op de dwarsbalk bij priesters staan naam en drie data: geboren, gewijd, gestorven. Bij broeders is de middelste datum die van de gelofte. Het kerkhof is de enige plek waar nog groei in zit. Het Missiehuis is over vijftien jaar leeg.

Twee oud-missionarissen op het kerkhof waar ze zelf ook ooit komen te liggen. Beeld Marcel van den Bergh
Twee oud-missionarissen op het kerkhof waar ze zelf ook ooit komen te liggen.Beeld Marcel van den Bergh

Een week na zijn dood is de uitvaart van broeder Max Staudinger in de kapel. Een dienst zonder Max, zonder kist. Na afloop lopen de medebroeders naar het kerkhof om enkele bezittingen van hem te begraven. Zijn sokken ‘waarmee hij de hele wereld heeft afgereisd’, zijn zakdoek ‘waarmee hij het zweet van zijn gezicht heeft gewist en tranen van vreugde en verdriet heeft gedroogd’ en een kerstkaart met goede wensen en een verwijzing naar Genesis 48:10. Israëls ogen waren van ouderdom zo zwak geworden dat hij niet meer kon zien, staat daar. Broeder Max was nagenoeg blind toen hij stierf.

Wat gebeurt er hierna?

Marcel Van der Vlugt: ‘God vergeet je nooit. Hoe het leven na de dood eruit ziet, is een verrassing.’ Hij leest op dit moment Het raadsel van God van Alister McGrath. ‘Ik ben er mijn hele leven mee bezig.’

Henk te Maarssen: ‘Ik geloof in een hiernamaals, ik heb daar geen beeld bij, het is een absoluut mysterie. Alles zal in God samenkomen in volkomen geluk en vrede. Het zal een feest zijn.’

Overste Maas: ‘Als het hiernamaals er niet is, heb ik toch een goed leven gehad. Ik hoop dat ik met een glimlach mijn laatste adem uitblaas en dat ik goed terechtkom.’

Kortgeleden heeft hij zijn eigen rouwkaart geschreven. Zijn medebroeders hoeven alleen de datum nog maar in te vullen.