Column

Na een jaar ruimen die klootzakken mijn graf

null Beeld Gabriël Kousbroek
Beeld Gabriël Kousbroek

Ik fiets van de luchthaven van Faro naar mijn datsja en ben blij. Prompt begin ik dat liedje van de op mysterieuze wijze verdwenen Hans de Booij te zingen, over een vertegenwoordiger die zijn hond mist en opgewonden naar huis scheurt. Ja, dan weet ik dat ik thuis ben. Home is where my dogs are. Een hond is meer dan een gargantueske strontfabriek. Mijn honden zijn mijn raison d'être.

Ik maak een sanitaire stop in het pittoreske haventje van Olhão, waar ik onder de schijtende meeuwen een voedzaam ontbijt nuttig. Als de besnorde serveerster met heupdeformatie mij de rekening geeft, moet ik bijna huilen. 4 euro en 50 cent! In Mokum, in een aggenebbisj koffiehuis vol rochelend schorem had mij deze grap 14,90 euro gekost (32,84 gulden).

'Mijnheer Van Amerongen', zo vroeg een schrijversgroupie mij tijdens de bruiloft van Gabriël Kousbroek, 'wanneer komt u weer in Amsterdam wonen? U wordt node gemist met uw relativerende humor en uw frisse, positieve kijk op de zaken.'

Ik verslikte mij in mijn appelsap. 'Nooit meer, popje. Zelfs niet om te sterven. Zorgvlied hanteert een wachtlijst en daar ga ik bovendien niet onder de 10 mille de grond in. En als ik naast Herman Brood kom te liggen, is het gedaan met mijn eeuwige rust. En eeuwig is betrekkelijk, want na een jaar ruimen die klootzakken mijn graf, omdat ik weiger de woekerhuur te lappen.'

Toen de vliegende tokkiedwangbuis opsteeg van Schiphol, liet ik van opluchting een windje. Ik had het weer eens aan de stok gekregen met de beveiliging, die louter aan de hand van diversiteitsnormen lijkt te worden samengesteld. Zelfs mijn plastic leesbrilletje van de Action van 60 cent moest langs de scan. Ik feliciteerde de mohammedaanse mijnheer die mij hardhandig tussen de benen fouilleerde: 'Dankzij de islam is het vliegen een stuk veiliger geworden, jongeman. Voor 9/11 was het maar een zooitje, qua beveiliging.'

In mijn uitgestorven dorp koop ik twee kilo biefstuk. 'Het is voor mijzelf', lieg ik tegen de slager. Ik zeg er maar niet bij dat het voor mijn honden is. Ik passeer het kerkhof en sta even stil bij de dood. Morgen moet ik naar de dermatoloog. Knobbeltje krijgt meer aandacht dan ik, een onevenwichtig mens zou er jaloers van worden. Of hij eruit, of ik. Mijn drie meisjes zijn uitzinnig, huilen en bespringen me. Seconden van puur geluk. Dan gaat Jamba ervandoor met de vleeszak, achtervolgd door Raya en Tita. Ja, dan weet ik dat ik thuis ben.

Meer over