Na de hoon en miskenning valt Lewis de roem ten deel

Geboren en begraven. Carl Lewis, Los Angeles, 1984. Het had zijn epitaaf kunnen zijn. Geboren als een tweede Jesse Owens, begraven onder hoon....

Van onze verslaggever

Hans van Wissen

ATLANTA

Carl Lewis waande zich zwemmer in een lichtende zee en verdronk zowat in de vervoering. Ooit uitgejouwd, nooit geadoreerd, werd de negenvoudig Olympisch kampioen eindelijk bewonderd en bejubeld. Elk meter van zijn lange ereronde savoureerde hij. Lewis omhelsde dominee Jesse Jackson, hij kuste Carol, de zus die hem tot aan zijn Olympisch afscheid vergezelde. Zijn pupillen, zelfs zijn papillen glommen in het flitslicht.

Het trauma van Los Angeles had hij al die jaren ontkend. Hij, de verbale waterval, de 'kwezel, de pedante kwast en nietszegger', raaskalde er overheen, hij wilde niets weten van de verwijten die Amerika hem maakte. Maar natuurlijk deed het hem pijn dat hij nog steeds niet in de schaduw kon staan van Jesse Owens, de viervoudig winnaar van Berlijn, die Hitler in 1936 het hoofd deed afwenden.

Los Angeles, zei hij, was 'zesendertig haardrachten geleden, geen-grijze-haren geleden, duizenden kilometers training geleden'. Dat hij die haardrachten noemde, was geen toeval. Om zijn imago te verbeteren had hij in de loop der jaren tientallen gedaantes aangenomen, van popmuzikant tot schrijver, en ze waren alle geridiculiseerd. Pas bij zijn Olympisch afscheid werd hij onsterfelijk geliefd.

In Los Angeles was zijn eerste poging bij het verspringen beslissend geweest. Hij had er een foutsprong op laten volgen en daarna afgewacht of een der concurrenten alsnog in de buurt kwam. Hij hoefde niet meer in actie te komen en deed dat ook niet, met het oog op de 200 meter finale. Maar het kortzichtige Amerikaanse publiek begreep er niets van, voelde zich bekocht en joelde hem uit. Eén publieksonvriendelijke beslissing kostte Lewis jaren van impopulariteit.

Lewis, pas 22 jaar destijds, begreep het onbegrip niet. Het moest toch duidelijk zijn dat een combinatie van topprestaties zo veel mogelijk rust vergde. Waarom dan zo tekeer gaan tegen een Amerikaanse winnaar? Hij vermoedde dat de Britse tienkamper Daley Thompson daaraan ook schuld had. Thompson speelde in op de geruchten over Lewis' homoseksualiteit. De Brit wekte aller dubieuze hilariteit door in de Olymische arene een T-shirt te dragen met de tekst: Is the second best athlete in the world gay?'.

Voor Amerikanen was Olympische sport in die tijd nog puur masculien. Op de universiteiten kregen vrouwelijke talenten geen studiebeurs. Lewis droeg het stempel van een vrouw in vermomming, van een weke jongeling. Hij liet de gouden medaille die hij verdiende met zijn 100 meter-triomf van 1984, bijzetten in het graf van zijn vader die in 1987 aan kanker overleed. Als hij een Amerikaanse held was geweest, zou hij door die geste enorme sympathie hebben verworven. Maar hij was sinds Los Angeles een Amerikaanse anti-held.

Ook zijn overwinning in Seoul veranderde daar weinig aan. De Canadees Ben Johnson versloeg hem op de 100 meter, in een nieuw wereldrecord. Dat Johnson twee dagen later het goud aan Lewis moest inleveren vanwege dope-gebruik, strekte de pupil van de dwerg Tom Tellez nauwelijks tot eer. Zijn nieuwe overwinning was schlemielig, een wettische triomf, niet op tv zichtbaar geweest. Dat Lewis de nieuwe wereldrecordhouder was geworden, betekende in Amerika niets.

Vier jaar later werd hij tijdens de Olympische trials in New Orleans geplaagd door een raadselachtig maar funest virus. Hij wist zich alleen nog als verspringer te plaatsen voor Barcelona. Mike Powell was de grote Olympische favoriet. Een jaar eerder had die lange, extraverte slungel in Tokio bij de WK het bizarre wereldrecord van Bob Beamon (8.90 in 1968) verbeterd tot 8.95. Lewis had ondanks slechtere omstandigheden gedenkwaardige tegenstand geboden, maar Powell werd gebrandmerkt als de nieuwe Beamon. Het tijdperk van Carl Lewis moest tenslotte ooit eindigen.

Maar Lewis won opnieuw het verspringen, zoals in Los Angeles en Seoul. Hij had zich niet gekwalificeerd voor de 4x100 estafetteploeg maar werd opgeroepen als slotloper, toen Mark Whiterspoon in de halve finales van de 100 meter een spier scheurde. Lewis leidde de ploeg naar een wereldrecord en toonde de absurditeit van het harde Amerikaanse selectie-systeem aan.

Na Barcelona had Lewis afscheid willen nemen. Al twee jaar eerder had hij Atlanta afgezworen: 'Als ik er zal zijn is het om mijn vrienden van de Santa Monica Track Club aan te moedigen.' Maar de drang om de erkenning af te dwingen, die hem zo lang was onthouden, verdween niet. Hij haatte die scepsis, hij kon ook nog steeds niet aanvaarden dat hij als mens minder werd gewaardeerd dan als loper: 'Ik wordt geaccepteerd als atleet, ik denk niet dat de atletiek een andere Carl Lewis wil, maar ze wilden niet het hele pakket,' zei hij gisteren.

Het gevoel van miskenning dreef hem voort. De trials in Atlanta werden een griezelfilm. Op de 100 en 200 meter werd hij verwezen naar een anonieme plaats in de orkestbak, bij het verspringen, van oudsher zijn specialiteit, kon hij zich met zijn laatste poging nog juist kwalificeren. Lewis leek meer te vechten tégen zijn leeftijd dan vóór een Olympisch heroptreden.

Zijn acht voorgaande Olympische titels had hij behaald met ondoorgrondelijk gemak. Lichtvoetig, volkomen ontspannen. In Atlanta moest de achtvoudig wereldkampioen schijnbaar voor het eerst zwoegen. Tegen de wind, tegen zijn imago en tegen het verleden.

In de kwalificatie steeg hij in zijn laatste sprong van de vijftiende naar de eerste plaats. In de finale was er ook zo maar een sprong die aan vroeger deed denken. Bij de eerste poging liep hij dwars door de bak heen, een tweede aanloop resulteerde in een zeer mediocre afstand. Maar plotseling gloorde een omloop later weer de virtuositeit. De snelheid en soepelheid waren terug. Hij kon de verre afdruk in het zand nauwelijks geloven. Het was 8.50, een afstand die hij vele malen was gepasseerd, maar niet sinds Barcelona.

Zijn landgenoot Joe Greene, die achter de Jamaïcaan Beckford op bescheiden afstand uiteindelijk derde werd: 'Het is fantastisch. Lewis is er altijd geweest, Lewis zal er altijd zijn. Lewis zelf: 'Mijn vader was hier vandaag. Hij weet dat ik goed heb geleefd, hoe ik geld heb verdiend en ingezameld voor kansloze jongeren. Ik heb nooit mijn eigen verhalen geschreven, ik hoopte op de rozen van bovenaf. Die heb ik gekregen. Het is de mooiste overwinning ooit. Het is een droom, en pas als ik daaruit wakker wordt, zal ik over mijn toekomst beslissen. Ik heb mijn hart gegeven. Ik voel mijn passie en toewijding nu pas erkend. Duizenden belden me, schreven brieven. Ik zal ze alle duizenden antwoorden. Het was verbazingwekkend, het was een verbazingwekkend einde van een loopbaan. De nieuwe sterren gun ik hezelfde.'

Meer over