Mythen over emotionele intelligentie

Wat goed is komt snel. Als dit gezegde op zou gaan voor psychologische theorieën, dan zou het begrip emotionele intelligentie inmiddels doorgedrongen zijn tot alle belangrijke handboeken....

Deze boodschap is om twee redenen aantrekkelijk. In de eerste plaats draagt hij een belofte voor een betere toekomst in zich. Aan je intelligentie kun je zelf weinig veranderen, maar emotionele intelligentie is trainbaar. Het begrip gebruikt het levenselixer van de zelfhulpindustrie, namelijk de belofte dat het leven mooier en beter kan.

In de tweede plaats bieden opvattingen over emotionele intelligentie de hoop dat de wereld van het gevoel met precisie in kaart gebracht kunnen worden. Getob over de nuances van onze gevoelens en de keuzen die we daarop baseren, wordt overbodig als we onze emoties een objectief predicaat goed en fout kunnen geven. Emotionele intelligentie werd gezien als het antwoord op de uitdaging van Aristoteles, die schreef: ‘Het is gemakkelijk genoeg om kwaad te worden. Maar kwaad zijn op de juiste persoon, in de juiste mate, op de juiste tijd, om de juiste reden en op de juiste manier, dat is niet gemakkelijk.’

Ruim tien jaar na de hype hebben de Tilburgse psychologen Guus van Heck en Brenda den Oudsten in het nieuwe boek Emotion Regulation in kaart gebracht in hoeverre het begrip emotionele intelligentie de hooggespannen verwachtingen heeft ingelost. De conclusie luidt dat dat niet of nauwelijks het geval is. Achter het begrip emotionele intelligentie blijkt een verwarrende wirwar van opvattingen schuil te gaan.

Bij de verschillende opvattingen horen eigen meetinstrumenten en daarvan is aangetoond dat zij soms een voorspellende waarde hebben, bijvoorbeeld op het welbevinden. Dit lijkt vaste grond te bieden, maar dat valt in de praktijk tegen. De voorspellende waarde komt namelijk tot stand door de overlap met andere begrippen. Het is bijvoorbeeld al lang bekend dat de persoonlijkheidseigenschap emotionele stabiliteit de kans vergroot dat het mensen goed gaat. Wie deze eigenschap herbenoemt als emotionele intelligentie en dan tot dezelfde constatering komt, heeft niet echt een bijdrage geleverd aan de psychologie.

De enige opvattingen van emotionele intelligentie die de moeite waard zijn, brengen een aantal vaardigheden in kaart. Het gaat dan met name om het herkennen van emoties bij jezelf, bij anderen en het constructief gebruiken van deze kennis. Het beschikken over deze vorm van emotionele intelligentie blijkt echter niet voor iedereen een zegen. Emotionele intelligentie vermindert stress weliswaar voor mensen met een goed begrepen en intensief gevoelsleven, maar blijkt onbelangrijk voor mensen met milde, maar wel goed begrepen emoties.

Het is dan ook een mythe dat emotionele intelligentie een voorwaarde is om succesvol te kunnen zijn. Andere mythen zijn dat emotionele intelligentie voldoet aan de criteria voor een intelligentie, dat het EQ in dezelfde verhouding staat tot emoties als het IQ tot het verstand, en dat emotionele intelligentie voorspelt hoe mensen problemen het hoofd bieden. Er bestaat geen enig juiste oplossing voor de uitdaging van Aristoteles.

Van Heck en Den Oudsten willen vervolgens niet concluderen dat emotionele intelligentie bijgezet moet worden op het kerkhof van mislukte psychologische theorieën. Het idee kan misschien zonder toeters en bellen een eigen, bescheiden plekje verwerven. Hun belangrijkste motivatie is dat je het kind niet met het badwater moet weggooien.

Voorlopig moeten we echter vaststellen dat het kindje geen overdosis vitaliteit en schoonheid heeft meegekregen.

Meer over