Museumbezit duldt geen kunstgrepen

Een code voor de verkoop van objecten uit museumbezit bestaat al sinds 1991. Annemarie Vels Heijn en Anita van Mil beschouwen verkoop uit financiële motieven als een schijnoplossing en pleiten voor een flinke verruiming van de aankoopgelden....

Annemarie Vels Heijn en Anita van Mil

DE museale gedragscode die Boris Dittrich (Forum, 13 april) aanbeveelt bestaat al. In 1991 werd de eerste Nederlandse Gedragslijn voor de Museale Beroepsethiek gepubliceerd, een uitgave van De Nederlandse Museumvereniging (NMV) en de Nederlandse afdeling van de International Council of Museums (ICOM). De Gedragslijn is een bewerking van de internationale beroepscode voor de museumwereld waaraan alle musea geacht worden zich te houden. Hierin is onder meer vastgelegd hoe musea dienen te handelen bij de verkoop uit collecties.

De geest van de code is dat afstoting van stukken uit museale collecties bespreekbaar is en de bedoeling heeft een object dat om een of andere reden niet meer in een collectie past, in een nieuwe samenhang optimaal tot zijn recht te laten komen. Wij zijn het met Dittrich eens dat musea zich ervan bewust moeten zijn dat zij met elke vorm van afstoting - door schenking, ruil, verkoop of vernietiging - ingrijpen in de historische totstandkoming van de collectie en dat derhalve grote voorzichtigheid is vereist.

Afstoting kan slechts het gevolg zijn van een zorgvuldige afweging, waarbij onder andere meegewogen moet worden hoe en waarom een object indertijd voor het museum is verworven. De gevolgde procedure dient nauwgezet gedocumenteerd te worden.

De Gedragslijn geeft aan dat het bevoegd bestuur van een museum verantwoordelijk is voor de beslissing een voorwerp af te stoten en niet de directeur of conservator. In een aanvulling op de beroepscode uit 1998 is vastgelegd dat het museumbestuur zich dient te laten adviseren door een onafhankelijke commissie van deskundigen, niet alleen - zoals Dittrich voorstelt - in het geval van afstoting naar het buitenland, maar in alle gevallen.

De code spreekt net als Dittrich over het in de beoordeling meewegen van het belang van het stuk voor de Collectie Nederland. Te vervreemden voorwerpen dienen eerst aan Nederlandse musea te worden aangeboden en pas aan eventuele buitenlandse gegadigden wanneer er in ons land geen te vinden blijken te zijn. Ook dan verdient vervreemding aan een buitenlands museum de voorkeur boven vervreemding aan particuliere verzamelaars. Doel is immers, en ook hier sporen de ideeën van Dittrich met die van de Gedragslijn, behoud van de zichtbaarheid van het museumobject voor het publiek.

Over de bestemming van de uit verkoop voortvloeiende gelden is de Gedragslijn bondig: vervreemding mag nooit het verruimen van het exploitatiebudget van het museum ten doel hebben. Sterker nog: iedere opbrengst uit vervreemding moet ten gunste komen van het aankoopbudget zodat er een nieuwe verwerving mee kan worden bekostigd.

Wij zijn de laatsten om te ontkennen dat musea ernstig verlegen zitten om financiële middelen om hun collecties aan te vullen. Het verwerven van nieuwe stukken komt niet alleen de vervolmaking van de samenhang van de collectie ten goede, maar is in den brede een belangrijk hulpmiddel om een museum levendig te houden. Met nieuwe aanwinsten, of zij nou het gevolg zijn van aankoop, ruil of inbruikleenneming, kunnen musea wisselende opstellingen maken waardoor het voor het publiek interessant is om regelmatig naar een museum terug te keren.

Bekend is dat de Nederlandse overheden, in vergelijking met wat er internationaal bij musea en bij particulieren beschikbaar is, te weinig geld over hebben voor aankopen. De overgrote meerderheid van de musea, de niet-kunstmusea, komen voor de bestaande regelingen niet of nauwelijks in aanmerking. Kleinere musea vallen bovendien al snel buiten de boot omdat zij zelf geen geld in kunnen brengen voor de gewenste aankoop, een regel die onder meer van kracht is in de aankoopregeling voor hedendaagse kunst van de Mondriaan Stichting.

Ondanks de hulp van (particuliere) fondsen zijn Nederlandse musea geen volwaardige partij op de markt, reden waarom het vrijwel onmogelijk is de Collectie Nederland op niveau te houden. Hier zal ook het langverwachte Aankoopfonds, dat eind 1998 in het leven werd geroepen, met zijn schamele drie miljoen aan rente-inkomsten voor alle musea niet veel aan kunnen verhelpen.

Hoewel de NMV zich samen met de andere partners in het museale veld voortdurend zal blijven hard maken voor een structurele verhoging van de aankoopbudgetten, blijven musea vooralsnog aangewezen op de creativiteit die zij al jarenlang aan de dag leggen. De staatssecretaris van Cultuur, Rick van der Ploeg, heeft de Nederlandse musea de afgelopen maanden bij herhaling opgeroepen hun collecties te mobiliseren.

Om aan te tonen wat in dit opzicht de stand van zaken is, heeft de NMV vorige week een ledenraadpleging afgerond onder de 398 musea die bij de vereniging zijn aangesloten. Daaruit blijkt dat collectiemobiliteit in Nederlandse musea veel gangbaarder is dan wel eens wordt aangenomen. Van alle musea geeft 69 procent aan objecten van diverse aard (schilderkunst, kunstnijverheid, wetenschappelijke instrumenten, etc) bij derden in langdurig bruikleen te hebben.

In totaal gaat het bij deze musea om 42 duizend bruiklenen, een aantal dat los staat van de 80 duizend stukken die het Instituut Collectie Nederland aan derden heeft uitgeleend. De bruikleennemers zijn vooral andere musea in Nederland, maar ook openbare gebouwen, particuliere stichtingen en particulieren.

Het is al met al dus een misvatting te veronderstellen dat musea schatten verborgen houden in hun depots. Objecten tonen en mogelijkheden zoeken om dat te doen, of dat nu in of buiten de muren is van het eigen museum, is een natuurlijke eigenschap van musea. Dat moet ook de drijfveer zijn bij eventuele verkoop. Financiële motieven mogen nooit de reden zijn voor afstoting. Dat is ten opzichte van het tekort aan aankoopgelden een schijnoplossing en schaadt de geloofwaardigheid van de musea voor wie juist op dit terrein vertrouwen en betrouwbaarheid een kostbaar goed is.

Meer over