MUSEUM VAN DE TOEKOMST

In navolging van Londen, Basel en New York heeft nu ook Düsseldorf een apart museum voor hedendaagse kunst. K21, in het voormalige parlementsgebouw, moet 'een geloofwaardige plaats' worden....

Door Lucette ter Borg

Er was al een park met honderdjarige kastanjes en slingerende paadjes. Er was ook een drabbige spiegelvijver met reigers, eenden en krols kwakende kikkers in de zomer. En er was een statig parlementsgebouw uit 1880 dat alle bouwstijlen van daarvoor in zich verenigde. In 1897 kwam Vadertje Rijn erbij, sinds dat jaar zat hij in brons gegoten op een stapel rotsen op een opgehoogde dijk, het mythische Rijngoud aan zijn voeten.

Vadertje Rijn was geen oproerkraaier, maar een tevreden mens - hij gebaarde 'voilá' naar het Düsseldorfse 'Ständehaus', zetel voor het parlement van Nordrhein-Westfalen van 1948 tot 1988. Het water om hem heen, de rijkdommen in de patriciërshuizen langs de Rijnoever, de ruisende bomen, de gesprekken in het parlement: het was goed, alles was vanzelfsprekend.

Maar die vanzelfsprekendheid is verdwenen, meegevoerd door een wervelwind die zeven jaar lang door het Ständehaus raasde. Vadertje Rijn zit nog steeds op zijn sokkel met zijn drie dochters om zich heen, maar hoort hij hier in zijn klassieke verschijningsvorm wel thuis?

Het gebouw is onherkenbaar veranderd, de inhoud nog meer. De parlementsleden die er zaten trokken weg, het gebouw kwam leeg te staan, en raakte in verval. In maart 1995 besloot het stadsbestuur er een museum van te maken, een dependance van de Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen dat kampte met ruimtegebrek.

Het is een museum geworden gewijd aan internationale hedendaagse kunst alleen, een sprookjespaleis van witte druivensuiker, ontworpen door het Münchense architectenbureau Kiessler & Partner. Wie langs de groen geoxideerde krullenbaard van Vadertje Rijn loopt belandt in een duizelingwekkend grote hal, de 'piazza' van het museum, eerder een bruids taart, en een gigantische lichtkoepel op het dak. Alles en iedereen krijgt door dat licht van boven en de witte weidsheid om zich heen een verlicht aanzien.

Om dat gevoel van gewichtloosheid te benadrukken en om aan te geven dat hier iets volkomen nieuws staat te gebeuren, iets dat al het oude vervangt of er op z'n minst de bezem doorheen haalt, heeft de Deense kunstenaar Olafur Eliasson een van zijn reusachtige ventilatoren aan een tientallen meters lange kabel opgehangen. Helemaal vanaf de lichtkoepel drie verdiepingen omlaag, tot drie meter boven de marmeren vloer, zwiept en zwaait de Ventilator in het rond. Als de betoverde bezem uit Schillers Zauberlehrer blaast die ventilator op eigen houtje een heel bouwsel schoon, hatsiekadee, alle stofnesten de deur uit.

Het is een sprookje dat tomeloos van start ging - en naadloos past in de geschiedenis van de handelsstad Düsseldorf, die dankzij het Wirtschaftswunder in de jaren zestig en zeventig weer uit de grond werd gestampt.

'We zijn keurig binnen het budget en de begrote tijd gebleven', zegt directeur Armin Zweite trots bij de opening van zijn K21, het nieuwe museum van de 21ste eeuw. Kosten van de operatie: 96 miljoen Duitse mark (49 miljoen euro), geplande opleverdatum in 1995: april 2002.

Daar kunnen wij in Nederland alleen maar likkebaardend naar kijken, want wat slepen de nieuw- en vernieuwbouwplannen van onze musea zich voort, en wat gaan ze de financiële begrotingen te buiten. Denk alleen al aan het Stedelijk Museum in Amsterdam, waar in 1989 tot nieuwbouw werd besloten maar de eerste spade nog steeds niet de grond in is gegaan, en waar de begroting van 30 miljoen gulden (13,6 miljoen euro) inmiddels is uitgegroeid tot een bedrag van 196 miljoen (89 miljoen euro, met daarin ook inbegrepen de renovatie van de oudbouw en de aanleg van nieuwe depots).

In Düsseldorf hebben ze de klus wél geklaard. Er staat een kakelvers museum, drie verdiepingen met kabinetten en zalen om een piazza heen geschaard, met daarbovenop een panoramische 'beeldentuin' in een meer dan tien meter hoge glaskoepel. De claustrofobische kelder van vroeger is uitgegraven tot ongeveer twee meter beneden het wateroppervlak van de spiegelvijver buiten, de muren zijn waar mogelijk uitgebroken. Ook hier zijn tentoonstellingsruimtes verrezen.

De programmatische structuur van K21, zegt directeur Armin Zweite, is kristalhelder. K21 staat voor kunst uit de 21ste eeuw - al komt dat in de praktijk neer op kunst sinds grofweg 1980. K20 staat voor kunst uit de 20ste eeuw en is de naam die vanaf nu gereserveerd is voor het 'moedergebouw' aan de Grabbeplatz, de Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen. Daar aan de Grabbeplatz vind je de klassiek-moderne meesters uit de 20ste eeuw, de richtinggevers, avant-gardisten en motoren van het modernisme: van Klee tot Kandinsky, van Picasso tot Pollock, van Beuys en Baselitz tot Merz en Magritte. In K21, een kwartier lopen verderop, is te zien wat daarna komt. In principe althans.

Düsseldorf schaart zich met deze splitsing van musea in de reeks Londen, Basel en New York, waar de dichotomie tussen modern en hedendaags in aparte musea zichtbaar is gemaakt. En ook in Nederland speelt de discussie.

Moet het Stedelijk Museum in Amsterdam na de nieuwbouw niet gewoon een museum voor 20ste-eeuwse kunst worden, waar het grote verhaal van het modernisme en de 20ste-eeuwse avant-gardes wordt verteld? Moet er een apart museum voor 21ste-eeuwse kunst komen, een museum waar webkunst, video-installaties, fotografie, performances en zelfs immateriële 'gezelschapskunst' hun plek vinden? En had Las Palmas in Rotterdam die rol niet met vuur moeten vervullen, als niet rivaliteit en randstedelijk geruzie tussen droom en daad hadden gestaan?

In Düsseldorf is het gebouw van de toekomst in elk geval gevonden en gemaakt. Maar hoe gaat het daarbinnen verder?

Directeur Armin Zweite schrijft in een begeleidend boek: 'K21 zal geen plaats van louter amusement zijn, geen plek voor digitale amnesie of esthetische entropie, geen plek voor gecultiveerde vrijetijdshappenings.' En in de inleiding staat: 'Het Ständehaus moet een geloofwaardige plaats zijn, want alleen in een geloofwaardige plaats met een niet inwisselbaar profiel kan men zich op kunst instellen. (. . .) Het museum zal geen uitstalkast, luid spektakel en mediagerommel dulden, maar het zal door wat het toont, indruk maken,enthousiasmeren en soms ook irriteren.'

En zo is dit museum voor 21ste-eeuwse kunst vooral een museum: een traditionele white cube (het 'niet inwisselbare profiel'), met rechthoekige, witte tentoonstellingszalen waar de kunst in stille contemplatie wordt bekeken. De sfeer is niet fundamenteel anders dan die aan de Grabbeplatz, al zet de swingende ventilator van Eliasson je aanvankelijk op het verkeerde been. Kunst staat in K21 nog net zo hard op een voetstuk, trouw aan het modernistisch adagium dat de Duitse neo-expressionistische schilder Georg Baselitz in 1979 als volgt samenvatte: Four Walls and Light from Above or Else no Painting on the Wall. Smetteloos en sereen.

Maar is de kunst van na 1980, de kunst van na de punk en het postmodernisme, de kunst van de ironie en de vlakvervuiling, de hybride, nauwelijks te categoriseren en soms ook niet eens te bekijken nieuwe conceptuele kunst, de kunst die uit alle werelddelen opborrelt, de kunst die apert politiek is of juist niet, de kunst die zich verplaatst en zich niet hecht aan een object of zich er juist buitensporig aan vastklampt - is die kunst wel sereen en smetteloos? Kan het anything goes van de jaren tachtig en negentig wel worden gevat in een statische, witte doos?

Het antwoord is natuurlijk: dat lukt niet. Maar het merkwaardige is: in K21 hoeft dat ook niet te lukken, de kunst hoeft zich hier niet in bochten te wringen om zich te voegen, om de doodeenvoudige reden dat dat soort kunst er niet is. Nauwelijks installatiekunst - op de prachtige oude TV Garden van videokunst-aartsvader Nam June Paik na -, nauwelijks webkunst, geen performance-kunst of happening-achtige activiteiten. De kunst die in K21 is te zien, behoeft vooral sokkel en spijker.

Dat is deels het gevolg van het verzamelbeleid van de 'oude' Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen en van alle musea ter wereld. Musea verzamelen met een zekere afstand, liefst tien jaar nadat een kunstenaar van zich laat spreken, en bijna nooit voordat een kunstenaar internationaal opzien baart. Tien jaar na de hype, is de gedachte, kun je het beste de bokken van de schapen scheiden.

De hoofdconservator van K21, Julian Heynen, is realistisch: 'Een museum bouw je niet in twee of drie jaar tijd. Een museum is een langzaam instituut, het is geen klaar product, maar een proces.' En daarom, zegt hij, 'kunnen we waarschijnlijk pas over vijftien jaar stellen: K21 heeft zijn karakter gevonden'.

Een andere oorzaak ligt in de aard van de collectie zelf. De collectie van K21 is voor het grootste deel gebaseerd op de verzamelingen van drie Rijnlandse privé-collectioneurs. Allereerst is er de verzameling van Reiner Speck, een arts uit Keulen die zich concentreert op 'talige' kunstenaars, kunstenaars die woord en beeld in hun werk verhaspelen, verdraaien, veresthetiseren. Denk aan Marcel Broodthaers, Lawrence Weiner, Daniel Buren, Beuys en On Kawara ('oudjes' jazeker, en hoezo 'kunst na 1980'?). Zij vinden navolging bij jongere kunstenaars als Rosemarie Trockel, Raymond Pettibon en Martin Kippenberger.

De tweede verzameling is bij elkaar gebracht door het echtpaar Schürmann. Deze verzameling met anti-hiërarchisch werk van onder anderen Mike Kelley, Mel Chin & GALA Committee, Jack Goldstein en Zoe Leonard, is in haar algemeenheid de meest eigentijdse.

De derde verzameling is die van Simone en Heinz Ackermans. Hun verzameling van figuratieve beeldhouwwerken, installaties en fotowerken uit de jaren tachtig, was tot vorig jaar in het op een steenworp van Düsseldorf gelegen Museum Kurhaus Kleve in Kleef te zien. Dit museum werd in 1997 geopend, met een tentoonstelling en een dure catalogus over de verzameling die het echtpaar in langdurig bruikleen afstond.

Maar blijkbaar is de liefde over. Want de verzameling Ackermans is in haar geheel verhuisd naar Düsseldorf, naar K21. En opnieuw is er een dure catalogus verschenen, en opnieuw krijgt de collectie-Ackermans uitgebreide exposure. Nu is het bepaald geen ramp om de prachtige Well en Drain van Jeff Wall hier weer te zien, of Michelangelo Pistoletto's Venere degli stracci (1967), maar je moet je wel realiseren welke prijs het museum moet betalen voor deze 'goedgeefsheid'.

Zo krijgt de Düsseldorfse beeldhouwster Katharina Fritsch in K21 een grote, vanuit de kelder naar bijna alle verdiepingen van het museum uitwaaierende solotentoonstelling aangeboden. Een belangrijk deel van de werken is afkomstig uit de verzameling-Ackermans, een groot deel ook uit de privécollectie van de kunstenaar zelf.

Deze solo is onverklaarbaar. Katharina Fritsch slaagt er weliswaar in met beelden als Man en Muis of Groot Hart met korenaren (2001) krachtige werken met metaforische zeggingskracht te maken, het merendeel van haar oeuvre is van wisselend, ronduit teleurstellend niveau. Ze herhaalt zichzelf onnodig vaak, ze vent haar flinterdunne ideeën nadrukkelijk uit, en laat de kijker in verbijstering achter. Waarom zo groot, zo veel en zo weinig streng geselecteerd?

Bij de tentoonstelling Startkapital, de andere openingstentoonstelling van het museum, ligt dit genuanceerder. Zeker aan de oostkant op de eerste verdieping van het museum is een aantal prachtige zalen ingericht met werk van Nam June Paik, Broodthaers, de Bechers en Carl Andre. In de omloop hangen foto's van door de Bechers opgeleide of geïnspireerde fotografen: een toepasselijke Rijn van Andreas Gursky, en op systemen en structuren geconcentreerde foto's van Candida Höfer.

De inrichters hebben zich ook grapjes veroorloofd. Loop de vrijzwevende neoklassieke trap op naar de derde verdieping en je stuit op de 'overloop' op een drietal bezems in zwart. Rosemarie Trockel heeft ze in een plank gestoken en ze op een hoogte opgehangen waar niemand bij kan. Vegen? Vergeet het maar.

Van K21 werd veel meer verwacht, veel meer experimenten, veel meer installaties, veel meer visie op het nu. K21 is gewoon veel meer van het oude, het museum biedt zeker niet 'de tijddiagnostische blik' waarover de directeur spreekt.

Maar misschien ligt de toekomst van de hedendaagse kunst, van vernieuwende presentatietechnieken helemaal niet meer bij musea en grote instellingen. Kijk naar de op klassieke leest geschoeide architectonische plannen van het te verbouwen Boijmans van Beuningen in Rotterdam of het Stedelijk Museum in Amsterdam. Of naar de abominabele presentatie onlangs van videokunst in de nieuwe vleugel van het Stedelijk, en de conclusie is duidelijk.

Voor zorgvuldig geconcipieerde en uitgevoerde tentoonstellingen op het gebied van hedendaagse kunst kun je tegenwoordig beter terecht bij kleinere instellingen als TENT in Rotterdam, Stedelijk Museum Bureau Amsterdam, het Amsterdamse Montevideo, of De Paviljoens in Almere. In dit laatste 'instituutje' geeft Macha Roesink, de nieuwe directeur, momenteel haar visitekaartje af. Nonlinear Editing is een voorbeeldig ingerichte tentoonstelling met vijf (video)installaties van hoog niveau.

Zo moet het, zo kan het. En misschien kan het zelfs wel in een museum voor de 21ste eeuw - over pakweg vijftien jaar.

Meer over